Orthochromatische rad


Max Ernst (1891-1976) maakte deel uit van de Zwitserse Dadabeweging die zich afzette tegen oude methodes zoals het schilderij, artistieke orginaliteit, en de uniekheid van een kunstwerk. Waarom zou je je beperken tot grofweg kwast en beitel als er nog zoveel te ontdekken viel buiten deze gebaande paden? Nou, beperken gebeurde bij de Dadabeweging in ieder geval niet. Kunst bestaande uit gebruiksvoorwerpen, poëzie-kunst, experimenteel toneel. Alles mocht als het maar vernieuwend en totaal “anders” was dan wat al eerder gemaakt was.



Ernst was een kunstenaar die graag collages maakte. De inhoud was daarbij belangrijker dan de vorm. Max Ernst gebruikte een bijzondere techniek die ook wel ‘Frottage” (afgeleid van het Franse werkwoord voor wrijven) wordt genoemd. Hierbij wordt een vel papier (of doek) op een ondergrond met een bepaalde structuur gelegd. Door met potlood of krijt over het vel te wrijven ontstaat een soort schaduwafdruk van de structuur. Max gebruikte de techniek door onder andere drukkersmateriaal en radertjes als basis voor zijn Frottages te gebruiken. De vormen werden later door hem ingevuld met waterverf. Ook beschilderde hij doeken en krabde daarna met een soort omgekeerde frotagetechniek de onderliggende structuur weer van het doek. Het resultaat was bijzonder surealistisch te noemen. Daarmee was hij dan ook meteen een van de eerste kunstenaars van het surealisme. Het kunstwerk hiernaast, Het grote Orthochromatische wiel uit 1919, lijkt nog het meest op letters, maar eigenlijk wordt je gewoon door je hersenen op het verkeerde been gezet. Er staan namelijk geen letters, of toch wel?

Harsmannetje



 
Een van de onderwerpen waarover ik al vanaf de start van Frumingelo over wilde schrijven was het harsmannetje. Het kwam er steeds maar niet van. Maar het onderwerp bleef kleven. In het geval van harsmannetjes letterlijk.

De roodbruine rupsen van het Harsbuilmotje (ja, dat is een bestaande vlinder) bevolken de heide en maken hun huis in vliegdennen aan de rand van de hei. Hun larven wonen in fraaie huisjes van hars, die harsmannetjes worden genoemd. de larf vreet zich door de schors en het hout van een Grove den. Deze vliegden probeert de ongewenste indringer tegen te houden door hars af te scheiden, maar de rups weet de overvloedige afscheiding zo te regelen dat er een flinke bult ontstaat, waar ze zelf in kan wonen. Het uiterst comfortabele huisje wordt opgebouwd uit hars van de boom en uitwerpselen van de rups. Het insect weet dit goedje netjes aan elkaar te brouwen.

Het rupseltje heeft ongeveer twee jaar nodig voordat ze zich verpopt tot dat onooglijke motje. Ondertussen weet de rups zich veilig in z'n behuizing die op de eigen groei uitgebreid wordt. De rups leeft van de sappen van de den. In het eerste jaar valt het harsmannetje nauwelijks op. Het huisje van hars groeit namelijk niet zo hard. Na twee jaar is het harsmannetje drie á vier centimeter groot en zo'n grote harsklont begint toch echt op te vallen. Er zal echter geen insectenetende vogel naar kraaien. De rups zit helemaal goed beschermd in z'n kleverige woning en is geeneens smakelijk vanwege z'n hars-dieet. Verpopte rupsen worden, volwassen harsbuilmotjes en vliegen uit rond mei -juni. De onopvallende, grijsbruine vlindertjes leggen hun eitjes op jonge zijtakjes van grove dennen en zo begint de cyclus weer van voor af aan.

Harsmannetjes zijn de aanmaakblokjes van de natuur. Pyromaantjes in de dop gingen vroeger dan ook fanatiek op zoek naar deze harsproppen als ze van plan waren om een knapperend kampvuur te maken. Zolang de oude proppen worden gebuikt blijft de stroom aanmaakblokjes zichzelf vernieuwen en kunnen we blijven genieten van een knetterend vuurtje met zo nu en dan een ontploffend harshuisje.

Joods begraven







Het sterven van iemand van de joodse gemeenschap is omgeven met bijzondere rituelen en gebruiken. Het is ontroerend te lezen hoe het joodse geloof aan kijkt tegen het menswaardig sterven, de zorg voor de nabestaanden en vele andere dingen. Op een joodse begraafplaats geldt 'eeuwige grafrust'. Dit betekent dat de graven ongemoeid gelaten moeten worden en dus niet geruimd worden. Een bijzonder gebruik op de joodse begraafplaats is het leggen van steentjes op de grafstenen. Dit gebruik heeft niet een, maar meerdere lagen van betekenis. De eerste laag is die van aanwezigheid en is vergelijkbaar met de bloemen die andere religies gebruiken. De overledene wordt niet vergeten. De bezoeker stopt als het ware zichzelf in de sterke steen om altijd bij de overledene te zijn en hem niet te vergeten. Een tweede laag is als tastbaar symbool van de liefde voor de gestorven persoon. Een volgende laag is ter herinnering aan de goede daden van de overledene. Door aan de grafsteen een steentje toe te voegen, geeft de bezoeker aan dat hij daarop wil verder bouwen. Het verwijderen van steentjes van een joods graf is dan ook een zware schending.

Darwin

Wat jammer, het Darwinjaar is alweer voorbij. De Darwin vinken kunnen weer terug naar het archief en de nieuwe reis van het schip De Beagle is met succes voltooid. Darwin is dood, leve Darwin! Alles wat deze geniale man opgeschreven heeft is gepuliceerd en bediscusieerd. De publicatie "on the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life" uit 1859 is natuurlijk het bekendst door de revolutionaire inzichten rondom onze evolutie. Wat is er nog te schrijven over deze kaalgemaaide vlakte voor mijn voeten? Misschien wat aandacht voor de wat onbekendere werken uit het euvre van Darwin. Enkele vielen me op; een boek over klimplanten, een boek over vleesetende planten en een boek over gezichtsuitdrukkingen en emoties. Na wat onderzoek was ik er uit; ook over deze onderwerpen is een boek verschenen. In het boek 'Darwin's Island. The Galapagos in the Garden of Engeland' van Steve Jones wordt een ode gebracht aan deze minder bekende studies. Zelfs het onderzoek naar de zeepok en bodemvorming door wormen wordt behandeld. Daarmee rest mij nog enkel de aanbeveling om dit boek te lezen. Iets wat ik in ieder geval zelf zal doen.

voorzichtig doorzichtig


Wat mooi. Er gaat een wereld voor je open. niets blijft ongezien. En zie je het niet dan kun je het zichtbaar maken door een vloeistof te injecteren. Het is wonderbaarlijk. Tot in de kleinste details zijn botten, nee hele skeletten te bestuderen zonder te doden. Ook tere vondsten zoals mummies of schilderijen worden blootgesteld aan ultra violet licht of x-ray. Het levert bijzondere nieuwe inzichten op zonder het voorwerp van onderzoek te beschadigen. Zo kwam er uit menig opgegraven roestblok een complete helm, munten of zwaarden. De kikker hiernaast is natuurlijk wel dood. Ik heb namelijk nog nooit van m'n leven een levende kikker met een labeltje door z'n kont gezien. De röntgenstraling gaat door zachte delen heen, maar wordt door vastere weefsels zoals botten tegengehouden.

Bij infrarood reflectografie wordt met behulp van gewoon licht en een infraroodcamera achterhaald waar bijvoorbeeld de schets zich onder een schilderwerk zich bevindt. Het zwarte houtskool absorbeert het infrarood, de rest laat het door. Het infrarood ontfutselt zo de geheimen van een werk. Op deze manier werpen deze lichtbronnen, zichtbaar of niet, nieuw licht op oud materiaal.

Mechanische insecten

Insecten zijn met zoveel soorten op de wereld dat de wetenschap nog lang niet weet hoeveel varianten er zijn. Dat de verscheidenheid groot is en de uitingsvormen van bizar lelijk tot wonderschoon uiteen lopen heeft iedereen die zich een beetje verdiept in deze beestjeswereld wel in de gaten. De libel is een van de soorten die het al een tijdje uithoudt op deze planeet. De 280 miljoen jaren dat deze soortgroep al bestaat valt in het niet met de groentjes van mensen die pas (maximaal 5 tot 7 milioen jaar geleden) komen kijken. De soort laat zich grofweg opdelen in twee groepen; de juffers (Zygoptera) die hun vleugels in rust op de rug vouwen en de echte libellen (Anisoptera) waar de vleugels altijd naar de zijkant gespreid uitstaan. De echte reusachtige joekels zijn uitgestorven, maar met ongeveer 5700 soorten zijn libellen nog steeds erg goed vertegenwoordigd in het insectenrijk.
O, ja het zijn er inmiddels 5701. Het bovenstaande exemplaar is er een van de echte libellen, waarschijnlijk een van de familie glazenmakers (wie het precies weet mag het zeggen), met een kleine mechanische aanpassing. Mike Libby is de kunstenaar die deze,overigens dode, libel van zijn mechanisch sieraad voorzag. Hij nam ook kevers, vlinders, spinnen en sprinkhanen onderhanden. Het resultaat is bijzonder mooi te noemen.
Bekijk hier meer voorbeelden van mechanische insecten.

Geheugenstok

Het spreekwoord "iets op je kerfstok hebben" heeft een geschiedenis in drievoud. De kerfstok, ook wel reutel of lat genoemd werd gebruikt voor eten en drinken op de pof, met andere woorden; men stak zich in de schulden. De schuld werd gekerfd in een stuk hout. Vooral de gewone man die niet lezen of schrijven kon gebruikte de kerfstok voor z'n schuld. Bij het in bewaring geven van goederen werd ook een kerfstok gebruikt. De stok werd gekerfd en in twee gespleten. Het ene deel ging mee met de eigenaar, het tweede deel bleef achter bij diegene die de goederen in bewaring had. Om de goederen weer op te halen diende men het ene deel van de kerfstok weer te verenigen met het tweede deel. Als de "sleutel" paste dan konden de goederen weer meegenomen worden. De kerfstok raakte op enig moment uit gebruik, maar de kerfstok van het geweten bleef bestaan. De narigheid die je daarop had verzameld, de schuld ten opzichte van de maatschappij leeft nu nog voort in het spreekwoord. Een bijzondere variant is "een ijzeren kerfstok hebben" Dat wil zeggen dat de dingen die je doet je altijd vergeven worden. Iedereen kent wel iemand die zo'n kerfstok heeft. Zij komen overal mee weg. Guido Ooms ontwikkelde de usbstok. Nu is het niet meer erg om wat op je stok te hebben en er mee op weg te gaan…..Nee, deze usb sticks van stukjes takhout zijn gewoon bijzonder mooi en functioneel.

Luigi Serafini

James Cameron schreef samen met een hele berg experts van de film Avatar een encyclopedie over de planeet Pandora (die van de doos). Hij was echter niet de eerste die dat deed. Eerder ging Luigi Serafini hem voor. Een kunstenaar sluit zich 30 maanden op en stelt een codex samen over een wereld die niet bestaat. Dat is in vogelvlucht het verhaal van de Codex Seraphinianus. Een encyclopedie van ruim 350 pagina’s geschreven en geïllustreerd door kunstenaar, industrieel ontwerper en duizendpoot Luigi Serafini. Geschreven zinspeelt op leesbaar, maar niets is minder waar. Wat door moet gaan voor tekst is in een compleet onbekende linguïstische spelling opgeschreven. Bizar dat je dat volhoudt voor zo’n dikke pil van een boek. De codex is verdeeld in elf hoofdstukken (het gekkengetal) en verdeelt over twee delen. Het eerste deel behandelt de natuurlijke flora en fauna, de elementen en de mechanica. Het tweede deel gaat (zover te achterhalen valt) over de verschillende volkeren, de historie, de spelling, etiketten, regels, sport/spel en uiteraard over architectuur. Leuk zou je zeggen, maar wat maakt dit boek nu zo bijzonder? Het zit ‘m in de enorme detaillering, de subtiele verwijzingen naar onze eigen wereld (veelal parodieën op bestaande dingen) en de heldere kleuren die dit boekwerk een vervreemdende en magische uitstraling geven. Zeker voor dingen die niet in onze wereld voorkomen is het echt heel knap in elkaar gestoken. De onleesbare teksten, bijschriften en aantekeningen maken het plaatje compleet en bijna geloofwaardig. Meerdere taalwetenschappers probeerde de code van de codex al te breken, zonder resultaat. De codex blijft tot op vandaag onleesbaar. Dat was precies ook de bedoeling van de maker. De lezer zou het boek moeten lezen zoals een kind dat doet. De verwondering over de groepjes letters zonder ze te begrijpen was het gevoel dat Luigi Serafini wilde oproepen. En de code? Enkel belangrijk als voetnoot.

stekeligheden

Erinaceus europaeus, oftewel egels zijn echte einzelgängers. Ze leven overdag alleen in hun nest van bladeren en enkel tijdens de voortplantingsperiode zoeken ze elkaar op voor hun bio-logische verplichting om zich voort te planten. Als ze elkaar dan ontmoeten gaat het er luidruch-tig, maar ook voorzichtig aan toe (vanwege de stekels). Ze produceren een snuivend blazend tot snurkend geluid. Hiermee geven ze aan dat ze zich gestoord maar niet bedreigd voelen. Ook puffen en blazen ze als een stoomtrein. Na het paren wordt het mannetje het nest uitgezet. Het vrouwtje zorgt in haar eentje voor de jongen die na 5 tot 6 weken alweer op eigen benen moeten staan. Op zoek naar een eigen plekje in de boze wereld vol ronkende auto’s en honge-rige dassen sneuvelt een groot deel van de jonge prikkelbollen. Een egel wordt in het wild dan ook niet veel ouder dan acht jaar. Een egel heeft een scherpe neus voor eten. Slakken, kevers, wormen, en rupsen zijn hierbij meestal de klos, maar ze vinden eieren het culinaire summum van hun menu.
Egels zijn echte prikkelbollen. Het aantal stekels van een egel hangt af van z’n leeftijd. Een volwassen egel heeft er al snel een stuk of 7000. Alle stekels (á 1,5 cm het stuk) zitten vast in een sterke spierlaag waarmee de egel zich tot een karakteristekelige bal kan rollen. Hun uiter-mate sterk ontwikkelde hoor- en reukvermogen maakt egels bijzonder alert voor gevaar. In te-genstelling tot wat algemeen gedacht wordt, rollen egels zich niet onmiddellijk op als ze zich bedreigd voelen. In een eerste reactie richt de egel zijn platliggende stekels op om er een on-doordringbare bolster mee te vormen. Als er geen tijd is om dekking te zoeken, drukt hij zich tegen de grond. De stekels komen rechtop te staan en de kwetsbare lichaamsdelen zoals ge-zicht en poten worden beschermd. Neemt het gevaar nog verder toe dan rolt de egel zich ook daadwerkelijk op. Als het moet kunnen egels urenlang opgerold blijven. Een egel die zich heeft opgerold, heeft 5 à 10 minuten nodig om zich weer te ontspannen. Als hij natuurlijk met rust gelaten wordt. Ik vraag me af of een egel wel eens kramp krijgt….
Egels kunnen heel goed wennen aan mensen. Een egel die wat verzorging krijgt wordt na ver-loop van tijd tam. Toch zijn egels géén huisdieren. Een trend in Engeland waarbij fashionata’s en verwende rijke dames een egeltje als modeartikel in hun handtas vervoeren is dan ook te bizar voor woorden. Die dames zullen nog raar staan te kijken als ze geconfronteerd worden met een van de raarste gewoonte van de egel; self-anointing. Egels smeren zich graag in met sterk geurende stoffen, het liefst onaangenaam geurend. Voor ons dan. Wat de gewoonte moet bewerkstelligen is tot op heden niet bekend. Er is geopperd dat dit eigenaardige gedrag seksu-eel, communicatief, hygiënisch of beschermend van aard zou kunnen zijn, maar het laatste woord over dat zinnenprikkelende onderwerp is nog niet gezegd.

Gesnuif

Snuifflesjes werden gebruikt door de chinezen gedurende de Qing Dynastie (16e eeuw). De snuif, gemalen tabak met aroma, werd gezien als een medicijn voor verkoudheid, hoofdpijn, buikpijn en andere vormen van algeheel misnoegen. Het gebruik van de flesjes met snuif kwam in zwang bij het hof en de gegoede bovenlaag van de bevolking, maar verspreidde zich later in de 17e en 18e eeuw over de gehele bevolking. Het werd een van de sociale tradities om snuif te gebruiken. Gewoonlijk werd een snuifje aangeboden als verwelkoming, net zoals nu in hert westen een kopje koffie hiervoor dienst doet. De traditie verdween met de installatie van de republiek China.
Waar in Europa snuifdozen gewoon waren werden in Japan en China kleine, luchtdichte snuifflesjes gebruikt zodat de tabak door de luchtvochtigheid niet aangetast zou worden en het flesje in de mouw van de verder zakloze kleding weggestopt kon worden.
Door de lange traditie van gelijkende flesjes voor medicijnen en geurtjes, was het een kleine stap om de flesjes te voorzien van een piepklein lepeltje aan de stop van het flesje om de snuif ermee uit te lepelen. Heel praktisch, maar daar bleef het niet bij. De flesjes werden hét middel om een understatement te maken. Het werd een statussymbool dat de smaak en het karakter van de drager weerspiegelde.
De Chinese handwerklieden wedijverden met elkaar door hun kunde en artisticiteit ten toon te spreiden in miniatuurkunstwerkjes die hun weerga niet kenden en eigenlijk nu nog steeds niet geëvenaard zijn. Het was zoals de Chinezen zelf zeggen: "xiao zhong jian da" oftewel "Grootsheid bereiken door het kleine te doen". Waar westerse snuifdozen uit verschillende onderdelen bestonden, gingen de Chinese werklieden de uitdaging aan om complete halfedelstenen zoals Jade (maar ook bijvoorbeeld Calcedoon of Kwarts) uit te hollen tot er een flinterdun omhulsel voor de snuif overbleef. Hiertoe werd beetje bij beetje de binnenkant weggeschraapt, waarbij het afval via de kleine opening aan de bovenkant verwijderd werd. Het ziet er een beetje makkelijk uit zo'n mooie kei als flesje, maar de schoonheid zit 'm onder die stenen laag.
Er waren naast de stenen snuifflesjes meerdere varianten in omloop.
Zo waren er natuurlijk porseleinen flesjes. De Chinezen waren de uitvinders van het porselein en de handgevormde snuifflesjes van dit materiaal werden beschilderd met bijzonder verfijnde taferelen, geglazuurd of juist niet. Door de grootte van de flesjes waren ze erg moeilijk te maken.
Glas is ook een voor de hand liggend materiaal. Dit goedkope materiaal heeft echter ook meteen de meest exclusieve flesjes voortgebracht. Dat zat zo. De meest exclusieve flesjes waren flesjes welke van binnenuit geschilderd waren. Dit vereist een bizarre omgekeerde werkwijze. Alles moet andersom. En dan ook echt alles. Eerst de pupillen van de ogen, dan de ogen, dan het gezicht en de achtergrondkleur als allerlaatste. Het schilderwerk werd nog eens extra bemoeilijkt door dat er maar een priegelig gebogen bamboepenseeltje door de smalle hals van het snuifflesje paste. Het is dan ook hoogst kunstzinnig dat de geschilderde illustraties enorm verfijnd en klein zijn. Over één exemplaar werd soms meer dan een maand gedaan.
Ook organisch materiaal werd gebruikt voor het maken van de snuifflesjes. Zo zijn er voorbeel-den van ivoor, bamboe, koraal, kokosnoot. hout, schildpad en Barnsteen. Een bijzondere vorm was de kalebas-snuiffles. Een kleine kalebas werd in een harde houten mal opgekweekt. De vrucht perste zich in de vorm en verkreeg zo de ingesneden motieven. Nadat de kalebas gedroogd was werd er een snuifflesje van gemaakt.
Oude snuifflesjes zijn zeer waardevol. De duurste flesjes brengen gemakkelijk 50.000 dollar op. Er is zelfs een International Chinese Snuff Bottle Society. De prijzen maken namaak erg aantrekkelijk. Dat snuifflesje op de Chinese bazaar mag dan wel oud lijken, laat je niet voor de gek houden. Dat is uiteraard geen reden om deze bijzonder objecten niet te gaan verzamelen. Een mooie gedachte is dat je verzameling na een levenslange verzamelwoede nog steeds in een schoenendoos zal passen. Dat doen alleen de filatelisten je na. En zeg nu zelf wat is nu mooier…?
Bekijk hier de enorme collectie van het Victoria and Albert Museum. Die collectie past niet meer in een schoenendoos en zal je meenemen van de ene verwondering naar de andere.

Snuif & Pica Nasi

Tabak is voor het eerst gecultiveerd door indianen en door hun gebruikt als medicijn en vertier. Het roken, pruimen en snuiven van tabak was iets wat al snel via de Portugese handelaren over de wereld werd verspreid. Overal ontstonden zo eigen gebruiken, afhankelijk van de heersende tradities.
Het ontstaan van snuiftabak ligt verscholen in het feit dat het oorspronkelijk werd genuttigd op plekken waar geen vuur voorhanden of wenselijk was. Niets zo creatief al de mens, dus naast roken ontstond ook snuiven. Snuiftabak is niet gewone gemalen tabak. Traditie en ervaring bepaalden het recept, het aroma van de snuif, dat over generaties heen gekoesterd en geheim gehouden werd. Tabaksbladeren en stelen werden verpulverd, gemengd met vluchtige oliën, bevochtigd zodat er een gisting proces opgang kwam. De bladeren werden dan gebaad in lavendel, rozenolie, menthol, muskaat, keukensiroop en andere smaakmakers. Toevoegingen als honing, suiker of scherpere stoffen zoals citroensap, azijn en tamarinde waren onderdelen van het recept. De gebruikte tabaksbladeren werden gesponnen en gevlochten tot zogenaamde karotten. Deze karotten werden meerdere jaren bewaard en daarna tot snuif vermalen. Dit alles voor een frisse, tintelende sensatie in de neusholten en een heerlijke nies toe.
Een weidverbreid misverstand dat door psycholoog Johann Heinrich Cohausen (1665–1750) de wereld werd in geholpen was de neusziekte Pica Nasi. Door overmatig gebruik en het mengen van de tabak met kleurstoffen, verkeerde kruiden of slechte soorten tabak zou de neusziekte de kop opsteken. Pica Nasi was echter (en zover ik het heb kunnen achterhalen enkel) een fabeltje.
Johann Heinrich Cohausen hield niet zo van die snuivende gewoonte van zijn medemensen. In zijn drift om het snuiven uit te bannen schreef hij meerdere moralistische werken over de ver-derfelijke effecten en gebruiken rondom snuiftabak. Hij schreef er zelfs een een semi-medische satire over. In het doldwaze verhaal geeft de god Apollo aan Mercurius de opdracht om de neuzen van de snuivers af te pakken. Als de snuivers dan later hun neuzen weer terugkrijgen van de satyrs grijpen de getroffenen in grote haast de verkeerde neus en zien er onherkenbaar uit. Dit verhaal heet Pica Nasi. Jawel, Johann Heinrich Cohausen nam iedereen bij de neus!

Dr Auzoux papier-maché kunstenaar


Dat een tekort aan organen van alle tijden is blijkt wel uit het verhaal van de Franse arts Louis Thomas Jerôme Auzoux. Tijdens zijn studie merkte hij op dat er eigenlijk onvoldoende echt studiemateriaal aanwezig was om uitgebreid te onderzoeken voordat het begint te rotten. Wasmodellen, gemaakt door anatomen en kunstenaars, waren wat dat betreft beter, maar daarnaast ook heel teer en duur. Dat maakte ze niet echt geschikt voor veelvuldig gebruik door leergierige studenten. Gedreven door dit feit zocht Auzoux naar een minder kwetsbaar materiaal dat de mogelijkheid bood de modellen in serie en bovendien in onderdelen uitneembaar te produceren. Een poppenfabrikant bracht hem uiteindelijk op het idee om papier-maché te gebruiken. Dat bleek een schot in de roos. Omstreeks 1825 richtte Dr Auzoux een fabriek op in Parijs die zich geheel toelegde op de productie van anatomische modellen in papier-maché. De modellen waren stevig en goedkoop, vooral wanneer het geheime papier-maché mengsel dat Auzoux had ontwikkeld. Het mengsel bevatte kurk, klei, papier en lijm. De invoering van papier-maché als een modelleringsmateriaal was een radicale verandering in de anatomische modellenwereld. 'Dr Auzoux's modellen waren bedoeld om uit elkaar worden genomen en weer in elkaar gezet. Het “uiteenpluizen” van de modellen gaf een soortgelijke ervaring als het onderzoek op echte menselijke lichamen of dieren. Dat er goed over de kennisoverdracht en het systeem nagedacht was blijkt wel uit de vele gekriebelde labels met benamingen van de onderdelen en de handwijzingen om het geheel weer als een ingewikkeld Ikea meubel in elkaar te zetten.
Dr Auzoux maakte zijn modellen oorspronkelijk voor professionele medische opleidingen. Maar omdat ze zo nuttig waren voor het algemeen vormend onderwijs, werden ze op grote schaal gebruikt voor algemene onderwijsdoeleinden. In de 19e eeuw werden Auzoux modellen verkocht over de hele wereld. Auzoux werd een begrip. Na de dood van Dr Auzoux, tegen het einde van de 19e eeuw, kwam de concurrentie met vereenvoudigde modellen van gips en kunststof. Deze modellen hadden bijna geen labels, in tegenstelling tot veel van dichtbevolkte gelabelde modellen van Dr Auzoux. De makers beweerden dat een groot aantal details een onervaren student zouden verwarren. En zo verdwenen na de kunstige glaskunst-modellen van Blaska ook de verfijnde papiermodellen van Auzoux van het wereldtoneel. Plastic fantastic? Ik dacht van niet.

pek en teer


In de moderne tijd maken we onze wegen van asfalt, een teerproduct uit aardolie. Maar teer en pek zijn al vanuit de oudheid bekend. Vloeibare pek werd bij belegeringen van steden vanaf de verdedigingsmuren gegoten over de ongelukkige aanvallers. Ook de gewoonte om geboefte te besmeuren met pek en veren is een bekend gebruik. Maar hoe kwamen onze vooouders aan pek? Nou, er zijn gebieden waar pek aan de oppervlakte komt en je het zo kan opscheppen. Een andere manier was het winnen van pek bij de houtskoolproductie. Bij die houtskoolproductie werden voorzieningen getroffen om de vloeibare stoffen, de teer dus, die vrijkomt tijdens het verkolingsproces op te vangen. Hierna werd het goedje verder ingekookt tot pek.



Nu is pek in hete toestand vloeibaar en plakkerig, bij kamertemperatuur lijkt het een vaste stof. Lijkt, want een professor uit Australië beweerde anders en kreeg uiteindelijk ook nog gelijk ook. In feite zijn teer en pek bij kamertemperatuur zeer dik vloeibaar ( of zeer visceus met een mooi woord) en vormen uiteindelijk druppels.






In 1927 begon Professor Thomas Parnell van de University of Queensland in Brisbane een expiriment. Hij goot een hoeveelheid verwarmde pek in een trechter en liet het eerst drie jaar tot rust komen en trok toen de stop onder uit de trechter. Er vormden zich over een periode van ongeveer 10 jaar maar enkele druppels die vervolgens naar beneden vielen. De 8e druppel viel op 28 november 2000 en daarmee konden de natuurkundigen uit Queensland berekenen dat de viscositeit van dit pek ongeveer 100 miljard maal hoger was dan die van water. Het pekdruppel-experiment is opgenomen in het Guinness Book of Records als het langstlopende experiment ter wereld. Er is genoeg pek in de trechter aanwezig om het experiment nog zeker 100 jaar te laten duren!



Doornige duivel

Is het een wandelende cactus?, de mascotte van een bizarre metalband? Nee dus. Het is een Thorny devil. Deze bizarre, met doornen overdekte hagedis leeft in de meest droge delen van Australië. In de woestijn, samen met zijn geliefde voedsel de Iridomyrmex mier, voelt hij zich opperbest. De Moloch horridus (z’n latijnse naam) is zomaar een traag beest. Hij kan niet rennen, zwemmen of klimmen. Maar wat wil je ook als je voedsel zich in rijen aan je voorbij trekt als een lopend buffet en je vocht via je poten opneemt.

Ja, je leest het goed. De Thorny devil neemt vocht via zijn poten en huid op. Tussen de doorns lopen kleine kanaaltjes die omhoog transporteren. De kanaaltjes zijn dusdanig dun dat de capillaire werking z’n werk doet. Ze lopen door tot aan de mondhoeken, waar het vocht wordt afgegeven in de bek. Dus krijgt de Thorny devil lekkere trek, dan juist wel gemier en het water stroomt ‘m in z’n bek.

Monsterlijk

Zeemonsters bestaan. We noemen ze vandaag de dag alleen wat anders. Maar toch. De verhalen over hele schepen die aangevallen worden door wezens met reusachtige tentakels zijn iets te wijd verspreid om helemaal te negeren. Zou de grote Kraak ergens in de wereldzeeën voor kunnen komen?

Even een tweetal monsters op een rijtje voor diegene die enkel geloven wat echt door de wetenschap is gezien.

Zo is er de Architeuthis dux. Dit is een reuzeninktvis met een geschatte maximale lichaamslengte 10 meter. Met zijn 2 voedingstentakels erbij gerekend is hij meer dan 20 meter lang. Deze inktvis wurgt walvissen, valt schepen aan en bijt met zijn papegaaisnavelachtige bek staalkabels door voor het ontbijt. Met zijn grote staarogen en onvriendelijke zuignappen met weerhaken is hij niet ons moeders liefste.

kandidaat nummer twee is de zeekrokodil (Crocodylus porosus). Deze wordt wel 12 meter lang. De zeekrokodil komt ook in zoet water aan zijn trekken en verschalkt het liefst apen en buffels. Een mensenvoet of een haai die hij op z’n weg tegen komt zijn ook geen partij voor zijn 68 tanden. Als een zeekrokodil vast heeft laat hij niet meer snel los en blijft het natuurlijk niet bij een voet. Tezamen met zijn geschubde lichaam en zijn lange levensduur (100 als het hem meezit) is het een echte doorbijter.

Nee, dat kan beter. Die middeleeuwers wisten het zeker en wijdden er hele geschriften aan. Zeemonsters en monsterlijke mens-creaturen waren net zo gewoon als een duif op een tak. bekijk hier een selectie uit hun monsterlijke waarnemingen.

Dodo

De Dodo (Raphus cucullatus) was een loopvogel die leefde in de bossen op het eiland Mauritius. Het dier was ongeveer een meter hoog, woog 20 kilo en kon venijnig van zich afbijten met zijn grote snavel. Verder was het schijnbaar een vrij hulpeloos geval dat niet kon vliegen. Zijn voedsel bestond uit zaden en vruchten. De eerste vermelding van de dodo kwam in 1507 van Portugese zeelieden. Het eiland (nu Mauritius) was toen nog onbewoond en werd enkel aangedaan om vers water en voedsel te zoeken.

De Dodo werd echter (op een enkel kookexperiment na) niet als voedsel gezien. Het taaie vlees gaf ze zelfs de bijnaam walgvogel. Hoe de vogel uiteindelijk toch aan de naam Dodo kwam is onbekend, maar er zijn meerdere verklaringen. Kies zelf de meest mooie zou ik willen zeggen. Zo werden de vogels ook wel Dodaars genoemd (vanwege het dotje veren op z’n kont). Portugezen zouden de naam “Doeda” voor de vogel gebruikt hebben, wat “belachelijk” betekent en de laatste (en tevens wazigste) verklaring is dat het gekoer van deze megaduif overeenkwam met iets wat klonk als “dodo”. Dat lijkt me nu echt iets voor een editie van Petersons vogelgids van uitgestorven vogelsoorten.
De VOC nam het eiland in 1638 in gebruik als handelspost en doopte het Mauritius. Ook de Hollanders zette de Dodo niet op het menu. Nee het waren uiteindelijk de ratten, varkens en andere uitheemse dieren die de Dodo de das omdeden. De laatste waarneming is wederom vaag, maar na 1700 was de Dodo toch echt uitgestorven. Nou ja, hij was toch niet lekker…..
Van de Dodo zijn tekeningen, beschrijvingen en schilderingen. Ook zijn in meerdere musea botten, poten, schedels en zelfs een ei verspreid. Wat echter ontbreekt is een compleet opgezet exemplaar. Dat was er zeker wel, maar in de zeventiende eeuw was er weinig bekend over het opzetten van dieren. Meestal werden de beesten gewoon volgepropt met stro. Zo moest het Ashmolean Museum te Oxford op 8 januari 1755 een complete opgezette Mauritius-dodo, die al vanaf 1656 in de collectie opgenomen was, vernietigen omdat er de mot en rot in zat. Enkel de kop en een poot werden gered. Ook in de collectie van keizer Rudolf de tweede in Praag is een opgezette dodo aanwezig geweest. Waarschijnlijk zijn er ook in Nederland opgezette dodo’s geweest. Het eiland was immers van de Nederlanders. Het is niet bekend waar deze overblijfselen van de dodo zijn gebleven. Grote kans dat ook deze weggerot zijn. De houdbaarheidsdatum van de vogel was natuurlijk ook al een tijd verstreken…

Over gapers, zaagjes en muiltjes

Zand tot aan de horizon, een klotsende zee en schelpen in alle vormen, kleuren en maten. Een strandjutter maakt zich meester van velen die aan zee een dagje doorbrengen. Het geeft voldoening om die ene schelp te vinden die je nog niet eerder aantrof op jouw stukje strand in de prettige waan dat je een bijzondere vondst hebt gedaan. Na het verzamelen komt de voldoening van het ordenen. Alles netjes in bakjes of zakjes en dan mee naar huis. Nu ben ik geen archivaris en blijft het daar dan vaak bij. Jammer eigenlijk, want de slakkenhuizen en schelpen hebben vaak bijzondere namen zoals Ongevlekt koffieboontje of Muiltje. (Die laatste lijkt ook echt op de lompe pantoffel van iemand met klompvoeten, maar dat terzijde). Bijzondere namen die een stel poëtische naamgevers doet vermoeden.
Een verwoed verzamelaar, Christoph Gottwald (1636-1700) maakte van zijn schelpen- en hoorntjesverzameling schetsen die hij later door iemand anders in prenten liet omzetten. Dit werk moest een boek worden, maar dat gebeurde uiteindelijk niet eerder dan 82 jaar na zijn dood. Zijn hele verzameling werd uiteindelijk opgekocht door tsaar Peter de Groote (een verzamelaar van rariteitenkabinetten) en een andere schelpenliefhebber, Johann Samuel Schröter publiceerde met een kleine eigen toevoeging alsnog de prenten. Deze vallen voornamelijk op door de mooie detailering. Dat het boek met de bijna antieke prenten er alsnog kwam komt door de tijdloze stijl van de prenten, die nog tot de dag van vandaag uitnodigen om zelf het strand op te gaan om je te verwonderen over de vormen- en kleurenpracht die de zee ons schenkt.
Bekijk een deel van de prenten of bekijk het boek in z'n geheel in het frans.

Veilig vuur

Het is heel normaal. Je pakt een luciferdoosje, duwt met je vingers het laatje open, pakt een lucifer en strijkt deze aan de zijkant af. En voilá, vuur. Zo simpel en meteen ook zo vernuftig als tovenarij. Wie bedenkt nu zoiets? Nou niet de gebroedertjes Lundström. Zij waren welliswaar degene die er voor zorgden dat het bij iedereen bekende product uiteindelijk voor iedereen beschikbaar kwam, maar de Zweedse chemicus Gustaf Erik Pascha (1788-1862) was de man die onze vurige, maar veilige strijkstokken uitvond. Daarvoor waren er ook al een soort van luizeveren, maar die lucifers waren niet al te gezond in de productie (giftige witte en gele fosfor) en bovendien was er niet gegarandeerd dat de lucifers niet uit zichzelf zouden ontbranden. De vinding om de brandbare substantie en het benodigde materiaal om de lucifer te laten ontbranden te scheiden was van een zeer veiligheidsverhogende betekenis. Het gebruik van rode fosfor zorgde er voor dat ook de productie een stuk gezonder werd. Een hoeraatje voor Pascha, maar het bleef handwerk. Dat bleef het tot in de fabriek van de gebroeders Carl Frans en Johan Edvard Lundström een machine werd gebouwd die het maken van lucifers een heel stuk zou versnellen. In 1864 werd het eerste lucifer dompelende en tevens volautomatisch doosjes vullende apparaat uitgevonden door de Zweed Alexander Lagerman, die gelukkigerwijs bij de gebroeders Lundström werkte als ingenieur. Met een geperfectioneerde lucifer naar het voorbeeld van Pascha en een massaproductie om u tegen te zeggen veroverde de fabriek van de heren in Jönköping binnen no time de luciferwereld. Het vreemde aan het hele verhaal is echter dat de heren Lundström hoogstwaarschijnlijk beide een jaar voor de uitvinding van de volautomatische machine de fabriek lieten voor wat ie was en andere dingen gingen doen. Dat is nog eens stoppen voor het hoogtepunt, al denk ik niet dat ze tot het eind van hun dagen op een luciferhoutje hebben moeten bijten. Daar zorgde de de onderneming Tändsticks Svenska, tegenwoordig ook wel bekend als Swedish Match, wel voor. Zoveel lucifers zoveel doosjes. Bekijk ze hier

Pompeii

Ach wat was ie toch zielig. En dan bedoel ik niet deze mozaiekvariant van "Hier waak ik". Nee, ik bedoel de hond die het portaal van deze villa ooit in levende lijve bewoonde. Vastgeketend aan zijn ketting kon deze hond niet ontkomen. Zijn huis stond namelijk in Pompeii vlak onder de Vesuvius... Pompeii was een welvarende romeinse nederzetting. In deze cosmopolitische stad woonden naast romeinen ook grieken, afrikanen en etrusken. De middel grote stad was trots op haar rijke huizen met voor velen muur- en vloerverwarming en stromend water afgetakt van het aquaduct dat fonteinen, badhuizen en particiulieren van water voorzag. Huizen waren voorzien van rijke mozaïeken of fresco’s en natuurlijk een tuin. De ligging aan zee en de uitstekende landbouwgronden tegen de berg Vesuvius maakte van deze regio een klein paradijs. Maar toen werd het 24 augustus 79. In 19 uur tijd zou dit een hels paradijs worden. In de namiddag kwamen er grote rookwolken uit de berg Vesuvius. Toen er as uit de hemel begon te vallen en de aardschokken aanhielden, raakten de mensen in paniek. Ze verzamelde hun meest waardevolle spullen en vluchtten. Die nacht steeg de aswolk tot ruim 30 kilometer en moet de omlaagstromende lava een spectaculair gezicht zijn geweest. Een deel van de mensen ging terug naar huis, denkende dat het wel over zou gaan, een ander deel bivakeerde in schijnveiligheid op het strand of probeerde met boten weg te komen. Ook Vesonius Primus verliet z’n huis. Zijn hond bewaakte het huis tot hij terug kon komen. Wat hij echter vergat was dat de hond aan de ketting zat. Om een uur na middernacht braakte de Vesuvius enorme gaswolken uit. Deze giftige gas en puinwolken van wel 500 graden heet vernietigden alles en iedereen wat op hun weg kwam. De waakhond overleefde echter nog een tijd. Het lijkt erop dat deze het voor elkaar kreeg om steeds weer boven het zich ophopende gruis en as uit te komen. Net zo lang tot zijn ketting het hem toeliet. Inwoners die de eerste golf gas overleefden stierven niet veel later in de uitbarsting die in de ochtend plaatsvond en hele bergen puimsteen over het gebied uitgestort werden. Zo ook de hond, hij werd vechtend voor z’n leven begraven. Om 8 uur s’ochtends was Pompeii niet meer.
Maar toch weer wel. Na 1748 zag het eerste deel van Pompeii weer licht en heden ten dage mogen wij ons weer verwonderen over de schoonheid van dit verloren paradijs èn de kracht van de natuur.

Olbinski

o

.
Daar waar droombeelden de werkelijkheid lijken te raken, waar het poëtische vorm krijgt, daar ontstaat de kunst van Rafal Olbinski. Er is eigenlijk maar bedroevend weinig over deze (in mijn ogen) grote schilder bekend. Deze naar Amerika geëmigreerde Pool weet een wereld te creëren waar humor en fantasierijke schoonheid spot drijven met gevestigde denkbeelden. Deze droomwereld weet hij voor het voetlicht te brengen in zijn vele schilderijen en even zovele posters voor toneelvoorstellingen. Zijn schilderstijl heeft de scherpte en diepgang van Salvador Dali en de gelaagdheid van werken van René Magritte.
Het is net of zijn werken een spelletje met de toeschouwer spelen; Ik zie ik zie wat jij niet ziet.... en het is mooier dan de werkelijkheid.
Geniet hier van meer werken van Rafal Olbinski

Gevierd gehandicapt

.
.
Dat mensen met een afwijking ware goudmijntjes kunnen zijn wisten ze aan het begin van de 19e eeuw maar al te goed. Op kermissen en bij het circus waren mensen met een afwijking ware attracties met een goed betaalde baan. Natuurlijk zijn er ook voorbeelden waarbij mensen uitgebuit werden om hun uiterlijk of een afwijking anderszins. Het dieptepunt ligt wat dat betreft bij de nazi's (zie dit voorbeeld voor mensen zonder kippenvel). Maar wat mij betreft ligt daar bij geschiedschrijvers veel te veel de nadruk op. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de volgende voorbeelden: de man met twee gezichten, de vrouw van staal, de tweehoofdige nachtegaal of de halve vrouw . Het zijn allen voorbeelden van mensen, met voorspoed en tegenslag die iets van hun leven maakten.
De "Freakshows" gingen uiteindelijk ten onder aan het veranderende mensbeeld, waarbij er voor afwijkende mensen die niet aan het perfecte schoonheidsbeeld voldeden geen plaats meer was. Tegenwoordig wordt er met handschoentjes omgegaan met mensen die net even anders zijn. Behandelen is natuurlijk een zeer goede zaak, maar betuttelen tast de gelijkwaardigheid van mensen aan. Mongooltjes werden gehandicapten en later "mensen met mogelijkheden". Net alsof dat iets verandert aan hun menselijkheid. Wat een hokjesgeest. Ja, er zijn schijtvervelende gehandicapten en "normale" mensen die minder met hun mogelijkheden doen. Ieder mens is uniek en hoort zelf invulling te kunnen geven aan zijn of haar leven. De normale mens bestaat niet.
Met een zeer grote dank aan The Human Marvels, dé site (zeer mooi vorm gegeven overigens) waar de verhalen van deze mensen met buitengewoon bijzondere mogelijkheden verzameld zijn.

Related Posts with Thumbnails