Jan Augustin van der Goes schilderde dit kevertje (de Carabus auratus, oftewel de Gouden loopkever) ergens rond 1650 op papier. Dat deed ie zo precies dat lijkt alsof het beestje ieder moment weg kan lopen. Zulke miniaturen werden in de 17e eeuw verzameld in albums, net zoals geprepareerde insecten in rariteitenkabinetten.
Carabus auratus
Jan Augustin van der Goes schilderde dit kevertje (de Carabus auratus, oftewel de Gouden loopkever) ergens rond 1650 op papier. Dat deed ie zo precies dat lijkt alsof het beestje ieder moment weg kan lopen. Zulke miniaturen werden in de 17e eeuw verzameld in albums, net zoals geprepareerde insecten in rariteitenkabinetten.
verdwenen musea
bijenraatkunst
Aganetha Dyck had het gehad met die lelijke porceleine beeldjes. Dat kon zo niet langer, maar hoe verander je zoiets zoets in een serieus kunstvoorwerp? Gelukkig wist deze kunstenares net de insecten die het juiste beeldmateriaal op zouden leveren; Honingbijen.

Gouden Kokerjuffers
Zo gedacht, zo gedaan. Exemplaren van de families Limnephilidae, Leptoceridae, Sericostomatidae en Odontoceridae werden gevangen en op zachthandige manier uit hun natuurlijke huisjes gezet. In hun nieuwe onderkomen vonden de Kokerjuffers nieuwe materialen, om te beginnen goudvlokken. Hiermee konden de sieraden in spe een nieuw bouwsel maken. Om dat te doen verbindt de larve de materialen met een zijden draad. Door een spiraalvormige beweging te maken creëert de larve zijn koker. Het materiaal wordt vastgezet en de binnenkant bekleed met zijde. Wel zo fijn voor het weke lijf wat de koker beschermt. Door ook kralen van turkoois, opaal, lapis lazuli en koraal, alsmede robijnen, saffieren, diamanten, parels en kleine staafjes goud aan te bieden, verfraaid de Kokerjuffer zijn koker op natuurlijke en magnifieke wijze. Dat een menselijke kunstenaar ze daarbij helpt en ietwat stuurt doet niets af aan het wondermooie zo niet schitterende resultaat.
De Kokerjuffer is zoals gezegd een larve. Ze leeft ongeveer een jaar onder water waarna ze zich verpopt. Na het verpoppen zwemt de vlinder naar de oppervlakte. De schietmot die verschijnt is een effen bruin of grijs gekleurde vlinder die zich voortplant en binnen enkele weken sterft. Het is een zomaar grijs einde voor een in kunde groot bouwmeester en mozaiekkunstenaar. Het bevestigd maar weer eens dat het niet alles goud is wat er blinkt.
insect schrikeffect
Er zijn opvallend veel vlinders met een oogachtige structuur op de bovenzijde van hun vleugels. In rust, wanneer de vleugels dicht zijn, is de vlinder veelal goed gecamoufleerd, maar zodra ze de vleugels opslaat zijn de ogen duidelijk te zien. In Nederland komen meerdere vlindersoorten voor met ogen op de vleugels. De dagpauwoog is natuurlijk het bekendst, maar ook de argusvlinder, bontzandoogje, hooibeestje, koevinkje, heivlinder, weerschijnvlinder, luzernevlinder en de apollovlinder hebben op ogen gelijkende vlekken. De vlekken en vaak ook de kleuren dienen om aanvallers op het verkeerde been te zetten doordat ze iets anders suggereren dan de aanvaller verwacht. Het zien van ogen geeft bij allerlei dieren schrikreacties, zeker als de ogen ook nog eens groter zijn dan die van de aanvaller zelf.
drijvende mieren
Dat mieren samenwerken is niet nieuw, maar wat als een overstroming het nest overvalt? Een beetje hypothetisch, maar dat is wel wat enkele wetenschappers van de universiteit van het Georgia Institute of Technology een tijdlang heeft bezig gehouden. Het leverde ook iets op, namelijk het bewijs dat de mier zelfs in de meest benarde situatie nog samenwerkt om tot een oplossing te komen.
De wetenschappers knikkerde groepjes levende mieren in het water en observeerden vervolgens wat er gebeurde. In enkele minuten vormde de mieren een soort van vlotachtige constructie door zich aan elkaar vast te klemmen en gebruik te maken van hun waterafstotende huid. Op deze manier bleken ze in staat om te blijven drijven! Nu zal je denken dat in een vlot met meerdere laagjes mieren de onderste mieren we zullen verzuipen, maar niets bleek minder waar. De hele constructie van het vlot was zo dat er een luchtbel onder het vlot ontstaat. Met deze luchtbel kunnen ook de mieren die aan de onderkant van het vlot liggen nog ademen. Geniaal!
De kaardebol eet zich vol
De kaardebol is een mysterieuze plant. ‘Kaarde’ is weliswaar afgeleid van het Latijnse ‘Carduus’, wat distel betekent, maar toch is de plant geen distel. Desalnietemin doen de stekels van de kaardebol niet onder voor die van een distel, maar dat is niet wat ‘m speciaal maakt. Het speciale zijn de bladeren. Deze zijn zo met de stengel vergroeid dat er tussen twee bladeren een komvormig bakje ontstaat. In dat bakje staat vocht, maar niet zomaar regenwater. Ook als het droger is staat er vocht in. De plant zelf brengt het vocht in zijn komvormige bladoksels. Dat doet ie niet voor niets. De kom is steil en glad, waardoor insecten makkelijk in het water donderen. Het waterige sap bevat stofjes waarmee insecten opgelost worden. Wat er daarna mee gebeurt, daarbij laat de wetenschap ons in de steek. Onbekend, dus. Wetenschappers stellen dat het vocht met de verteerde insecten niet door de plant wordt opgenomen, maar ondertussen verdwijnt om de zoveel tijd wel het vocht uit de kommetjes. De plant gebruikt het kostelijke vocht niet? Het klinkt bijna als roken zonder te inhaleren. De kaardebol is in de literatuur enkel een vleesverterende plant. Wellicht zijn mierenzuur en fruitvliegjesbloed niet goed voor de plantaardige lijn.
Wat mij opvalt aan het hele verhaal is dat de mogelijkheid insectenbestrijding nergens genoemd wordt. Een plant die zo creatief is dat ze haar kwelgeesten weet te vangen voordat ze schade aan kunnen richten is evolutionair gezien goed bezig. Of de Kaardebol zich vervolgens vol eet aan het kostelijke vocht is vers twee. Het is gewoon Kaardebol versus insecten: 1 - 0
Archetypa studiaque patris
In 1592 publiceert Jacob Hoefnagel, dan nog slechts negentien jaar oud, in Frankfurt een boek van tweeënvijftig gravures gebaseerd op schilderijen van zijn vader. De volledige titel van het werk is: 'Archetypa studiaque patris Georgii Hoefnagelii Jacobus F. Genio duce ab ipso scalpta omnibus philomusis amict D. ac perbenigne communicat' wat vrij vertaald betekent: Originele schilderingen/tekeningen door Joris Hoefnagel, gegraveerd in koper onder leiding van zijn genie, in vriendschap voor alle liefhebbers van de Muzen door zijn zoon Jacob. Heel hoogdravend dus.Het boek bestaat uit vier delen, elk met een eigen titel-pagina en een dozijn gravures van verschillende soorten flora en fauna. De opbouw van de prenten maakt het boek zo speciaal. Er wordt niet gewerkt met een geclassificeerde opbouw, maar een opbouw naar een schijnbare* willekeur, waarbij de rangschikking van de planten en dieren (waaronder een opmerkelijke hoeveelheid insecten, slakken en ander "gespuis") belangrijker is dan een nauwkeurige weergave van de natuurlijke setting waarin ze voorkomen. Toch werden de dieren en planten in dit boek niet mooier voorgedaan dan ze waren. Dit was een belangrijke stap in de richting van de opname van flora en fauna in het juiste perspectief en zo een eerlijke weergave van de werkelijkheid. Het boek werd dan ook op grote schaal door kunstenaars in de 17e eeuw, waaronder Maria Sybilla Merian, als bron voor eigen werk gebruikt.
Het werk is als geheel te raadplegen op de website van de universiteit van Straatsburg
*Elk van de Archetypa 's gravures bevat een paar Latijns-motto's of aantekeningen. Deze combinatie van tekst en beeld verleent het werk een symbolische kwaliteit. De wijze waarop de afzonderlijke elementen op de prenten zijn georganiseerd is verbonden aan religieuze symboliek. De teksten zijn vaak vroom, godsdienstig, of waarschuwend van aard: velen zijn bijbelse of klassieke citaten, anderen zijn bedacht door (Joris) Hoefnagel zelf.
Albrecht Durer; mooie prenten
Een vliegend hert als onderwerp voor een kunstwerk. Niet heel erg bijzonder zou je zeggen, maar dat was het in 1505 dus wel. De kever als afzonderlijk kunstwerk was zeer ongebruikelijk. Insecten werden rond 1500 als de laagste schepselen gezien. Van die monsterlijke gedrochten een kunstwerk van maken was zonde van je schildersmateriaal.
Albrecht Dürer (1471-1528) dacht daar toch heel anders over. Hij bestudeerde het gehoornde insect en kwam tot de conclusie dat het wezen net zoals zoveel in de natuur zeer kunstig in elkaar stak. Hij was dan wel een Duitser, maar deed zijn inspiratie op in Italië waar de Renaissance in volle bloei was. Hier studeerde hij schilderstechnieken, maar ook wiskunde, geometrie en klassieke literatuur. Hij leerde er onder andere de techniek clair-obscur, waarbij door met schaduw te spelen taferelen nog nadrukkelijker tot leven komen.
Zo ook bij het vliegend hert van zijn hand. Het staat bijna heroïsch op de poten met z’n harde zwart glimmende lichaam, bollende vleugels en monsterlijke kaken. Het is met veel zorg en respect in detail getekend. Ieder haakje aan de poten of segment van de voelsprieten klopt. De kleuren raken de juiste toon en de subtiele schaduwen en lichteffecten suggereren dat het beest ieder moment zijn weg kan vervolgen. Om ons vervolgens in verbazing over zoveel moois achter te laten.
vliegen
Harsmannetje
Het rupseltje heeft ongeveer twee jaar nodig voordat ze zich verpopt tot dat onooglijke motje. Ondertussen weet de rups zich veilig in z'n behuizing die op de eigen groei uitgebreid wordt. De rups leeft van de sappen van de den. In het eerste jaar valt het harsmannetje nauwelijks op. Het huisje van hars groeit namelijk niet zo hard. Na twee jaar is het harsmannetje drie á vier centimeter groot en zo'n grote harsklont begint toch echt op te vallen. Er zal echter geen insectenetende vogel naar kraaien. De rups zit helemaal goed beschermd in z'n kleverige woning en is geeneens smakelijk vanwege z'n hars-dieet. Verpopte rupsen worden, volwassen harsbuilmotjes en vliegen uit rond mei -juni. De onopvallende, grijsbruine vlindertjes leggen hun eitjes op jonge zijtakjes van grove dennen en zo begint de cyclus weer van voor af aan.
Harsmannetjes zijn de aanmaakblokjes van de natuur. Pyromaantjes in de dop gingen vroeger dan ook fanatiek op zoek naar deze harsproppen als ze van plan waren om een knapperend kampvuur te maken. Zolang de oude proppen worden gebuikt blijft de stroom aanmaakblokjes zichzelf vernieuwen en kunnen we blijven genieten van een knetterend vuurtje met zo nu en dan een ontploffend harshuisje.
Bombus lapidarius: Steenhommel
Insectenbehang
Mensen krijgen vaak een beetje de kriebels van wat grotere insecten. Als het zo groot is als een vlinder maar geen vlinder, gaan hordes mensen op de loop. Het is tijd voor rehabilitatie van grote insecten. Naast nuttig zijn ze vaak ook erg mooi. Jennifer Agnus is een kunstenares die iets zeer bijzonders doet met insecten. Ze bekleed gehele muren met geometische figuren opgebouwd uit echte insecten. Het insectenbehang ziet er bijna uit als kantwerk zo precies zijn de insecten opgespeld. Ze zitten goed vast en zijn dood, dus nu hoeft geen levende ziel meer bang te zijn. Van dichtbij zijn insecten gewoon kunststukjes. De kleuren, het gladde van het schild, de in elkaar scharnierende pootdelen. Uit alles spreekt een inteligent design. Jennifer Agnus maakt dit met haar wonderschone creaties inzichtelijk.
Er is niets om bang voor te zijn.
Bijproducten
Dat bijtjes in zwermen en rijtjes helemaal geen honing uit een kelk zuigen was een bij vele al bekend. Herman van Veen bedoelde natuurlijk nectar, maar dat is zo'n moeilijk woord en onbekend bij kinderen. De nectar en stuifmeel dat de bijen verzamelen zetten die vlijtige insecten om naar enkele producten die we allemaal (van groot tot klein) kennen. Bijenwas en natuurlijk honing. Echte Bij-producten.Vlindervleugels

Coleoptera difetto radiazioni
Dat het blootstaan aan een flinke dosis radioactieve straling ongezond is is alom bekend. Maar wat gebeurt er als er maar kleine hoeveelheden ergens voorkomen? Wat voor invloed heeft dat? Die vraag werkt Cornelia Hesse-Honegger al jaren uit in haar schilderingen van kleine kleurige insecten. Ze verzamelde deze insecten rond kerncentrales, kernafval-verwerkingsinstalaties en op oude atoombom-proeflocaties. Hierbij zocht ze contact met wetenschappers die haar zouden kunnen helpen bij de determinatie van de verschillende soorten. Vreemd genoeg was het animo om haar te helpen klein. Blijkbaar zijn er onderzoeken waar wetenschappers hun vingers niet aan willen branden. De zeer mooie schilderingen laten insecten zien die op het eerste oog niets mankeren. Maar toch, vervormde vleugels en gekrompen poten zijn geen alledaagse afwijkingen bij insecten. Er is dus duidelijk meer aan de hand. Tezamen vormen deze freaks on six legs een waar rariteitenkabinet van vervormde wezens. Dat geeft te denken over deze bron van "schone" energie die nu weer op veel verlanglijstjes van landen staat. Het geeft wellicht wel antwoord op de terughoudendheid van de wetenschap. De belangen zijn te groot. De door straling vervormde kever is wat dat betreft door ons soms letterlijk een poot uitgedraaid.
Gallen
Een insect prikt in een plantenstengel, blad of boom, legt eitjes en verdwijnt. De gestoken plant in kwestie spuugt de indringers niet uit. Dat is op zich al vreemd, maar wat nog vreemder is hetgeen de plant wel doet. Afhankelijk van het insect wordt er een kraamkamer rond het broedsel gebouwd. De gal. Een gal kan er uitzien als een rare verdikking in de stengel van een plant, maar ook als een pluizige bal zoals hiernaast. Dat een plant "weet" wat er gebouwd moet worden en dat daarna dan ook nog doet is een mooi kunstje natuurlijke verleiding. Hoe zo'n klein insect dat doet is fasinerende denkstof. Ik wil dan ook niet weten dat chemische stofjes die lijken op de groeihormonen van de plant zelf (zoals Aminozuren, adenine, cytokininen, auxine- en gibberelline) hierbij van belang zijn. Dat vergalt een stukje van de mystiek. Laat mij wat dat bereft maar lekker in het verwonderings-stadium.
De tekening van een mosgal op een hondsroos is deel van een verzameling tekeningen die zijn gemaakt door Agnes Jongmans (2-9-1881 / 8-7-1958). Samen met Dr. W.M.I.Borst Pauwels (de man waarmee ze later trouwde) maakte ze in totaal 104 tekeningen van verschillende gallen. De tekeningen zijn gemaakt in de omgeving van onder andere Poelgeest, Noordwijk, Katwijk, Drunen, Bloemendaal, Wassenaar, Winterswijk, en Overveen in de jaren 1907 en 1908. Het zijn zeer mooie acurate tekeningen die gemaakt zijn om hun bruikbaarheid. Daardoor hebben ze niet het gelikte van een floraprent die je in een boek kan verwachten (zie ook Zweedse prenten) maar dat maakt ze voor mij niet minder. Ik hou er wel van als je kan zien dat iets gebruikt is.
De rest van de gallen vindt je hier

















