Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label insecten. Alle posts tonen

Carabus auratus





Jan Augustin van der Goes schilderde dit kevertje (de Carabus auratus, oftewel de Gouden loopkever) ergens rond 1650 op papier. Dat deed ie zo precies dat lijkt alsof het beestje ieder moment weg kan lopen. Zulke miniaturen werden in de 17e eeuw verzameld in albums, net zoals geprepareerde insecten in rariteitenkabinetten.


verdwenen musea



Een oom van mijn vaders kant had een passie voor het verzamelen van vlinders. Alle dagvlinders van Europa had hij in zijn verzameling. Voor de enkele ondersoort die nog in zijn collectie ontbrak ondernam hij samen met mijn tante zelfs speciale reizen. 
Ik vond het zeer bijzonder om, als we naar België gingen op bezoek bij mijn 'vlindergekke' oom, in zijn speciale kamer al die lades met bijzondere vlinders te mogen bekijken. Het was alsof hij zijn eigen museum in huis had. Ja helaas, had. Mijn oom is al jaren terug gestorven en zijn mooie verzameling schijnt geschonken te zijn aan het Naturalis. Ik had graag nog eens met 'm op pad gegaan.
Anne ten Donkelaar verwoorde voor mij heel goed mijn gevoel voor deze eerlijke v(l)inder.

bijenraatkunst





Aganetha Dyck  had het gehad met die lelijke porceleine beeldjes. Dat kon zo niet langer, maar hoe verander je zoiets zoets in een serieus kunstvoorwerp? Gelukkig wist deze kunstenares net de insecten die het juiste beeldmateriaal op zouden leveren; Honingbijen.

Ze overgoot de beeldjes met een dun laagje was en plaatste dit vervolgens in een bijenkast. De bijen begonnen de beeldjes te gebruiken als basis voor nieuwe honingraten en plakte met nieuwe was nieuwe elementen aan het beeld. Het levert mooie dingen op zoals een versie van twee kussende beeldjes die geheel verdwijnen in een wolk van raten.

Meer wassen-beeldenkunst is te vinden op de website van Aganetha Dyck . Het is om te smelten!




Gouden Kokerjuffers






Ach wat is ze toch mooi. Niet de Kokerjuffer zelf (echt een schoonheid is het niet) maar het fantastische huis wat ze gebouwd heeft. Hubert Duprat is de bedenker van de levende kokerjuffersieraden. Hij zette de wetenschappelijke experimenten van François-Jules Pictet uit 1835, om in kunst. Pictet onderzocht in hoeverre Kokerjuffers andere materialen gebruiken dan de natuurlijk aanwezige materialen. Navolgers, zoals Jean-Henri Fabre, lieten de Kokerjuffers kokers van rijstkorrels en glazen kralen bouwen. In 1980 liet Hubert Duprat zich inspireren door goudzoekers bij de rivier de Ariège. Zouden er ook gouden Kokerjuffers leven in die rivier? Gouden Kokerjuffers, dat zou een mooi gezicht zijn.

Zo gedacht, zo gedaan. Exemplaren van de families Limnephilidae, Leptoceridae, Sericostomatidae en Odontoceridae werden gevangen en op zachthandige manier uit hun natuurlijke huisjes gezet. In hun nieuwe onderkomen vonden de Kokerjuffers nieuwe materialen, om te beginnen goudvlokken. Hiermee konden de sieraden in spe een nieuw bouwsel maken. Om dat te doen verbindt de larve de materialen met een zijden draad. Door een spiraalvormige beweging te maken creëert de larve zijn koker. Het materiaal wordt vastgezet en de binnenkant bekleed met zijde. Wel zo fijn voor het weke lijf wat de koker beschermt. Door ook kralen van turkoois, opaal, lapis lazuli en koraal, alsmede robijnen, saffieren, diamanten, parels en kleine staafjes goud aan te bieden, verfraaid de Kokerjuffer zijn koker op natuurlijke en magnifieke wijze. Dat een menselijke kunstenaar ze daarbij helpt en ietwat stuurt doet niets af aan het wondermooie zo niet schitterende resultaat.

De Kokerjuffer is zoals gezegd een larve. Ze leeft ongeveer een jaar onder water waarna ze zich verpopt. Na het verpoppen zwemt de vlinder naar de oppervlakte. De schietmot die verschijnt is een effen bruin of grijs gekleurde vlinder die zich voortplant en binnen enkele weken sterft. Het is een zomaar grijs einde voor een in kunde groot bouwmeester en mozaiekkunstenaar. Het bevestigd maar weer eens dat het niet alles goud is wat er blinkt.

insect schrikeffect





Er zijn opvallend veel vlinders met een oogachtige structuur op de bovenzijde van hun vleugels. In rust, wanneer de vleugels dicht zijn, is de vlinder veelal goed gecamoufleerd, maar zodra ze de vleugels opslaat zijn de ogen duidelijk te zien. In Nederland komen meerdere vlindersoorten voor met ogen op de vleugels. De dagpauwoog is natuurlijk het bekendst, maar ook de argusvlinder, bontzandoogje, hooibeestje, koevinkje, heivlinder, weerschijnvlinder, luzernevlinder en de apollovlinder hebben op ogen gelijkende vlekken. De vlekken en vaak ook de kleuren dienen om aanvallers op het verkeerde been te zetten doordat ze iets anders suggereren dan de aanvaller verwacht. Het zien van ogen geeft bij allerlei dieren schrikreacties, zeker als de ogen ook nog eens groter zijn dan die van de aanvaller zelf.

Het is waarschijnlijk dat een verre voorouder bij toeval enkele vlekken op de vleugels had die het schrikeffect al in enige mate kon opwekken. Dit voordeel zorgde er voor dat er meer van deze vlinders bleven leven en de vlinders met een extra paar ogen zich konden uitbreiden. Verdere natuurlijke selectie zorgde er daarna voor dat deze vlekken steeds effectiever werden en meer op echte ogen gingen lijken. Bij de dagpauwoog is zelfs de licht reflectie in het oog aanwezig in de vorm van een klein vlekje wit in de zwarte pupil.

drijvende mieren





Dat mieren samenwerken is niet nieuw, maar wat als een overstroming het nest overvalt? Een beetje hypothetisch, maar dat is wel wat enkele wetenschappers van de universiteit van het Georgia Institute of Technology een tijdlang heeft bezig gehouden. Het leverde ook iets op, namelijk het bewijs dat de mier zelfs in de meest benarde situatie nog samenwerkt om tot een oplossing te komen.
De wetenschappers knikkerde groepjes levende mieren in het water en observeerden vervolgens wat er gebeurde. In enkele minuten vormde de mieren een soort van vlotachtige constructie door zich aan elkaar vast te klemmen en gebruik te maken van hun waterafstotende huid. Op deze manier bleken ze in staat om te blijven drijven! Nu zal je denken dat in een vlot met meerdere laagjes mieren de onderste mieren we zullen verzuipen, maar niets bleek minder waar. De hele constructie van het vlot was zo dat er een luchtbel onder het vlot ontstaat. Met deze luchtbel kunnen ook de mieren die aan de onderkant van het vlot liggen nog ademen. Geniaal!
Toch waren de onderzoekers nog niet helemaal tevreden. Ze wilde ook nog weten wat er zou gebeuren als ze de mieren wat op de proef zouden stellen. Dus verwijderden ze een paar mieren uit de zorgvuldig opgebouwde vlotconstructie. Maar geen paniek bij de mieren; enkele miertjes renden van de rand snel naar boven, om zo het vlot overal even dik te houden. Een vlot met een gat blijft immers niet drijven. Toen een van de onderzoekers met een stokje het mierenvlot onder water probeerde te drukken, boog het soepel door, en kwam het weer omhoog zodra het stokje werd teruggetrokken. kortom bekijk het filmje en verbaas je over zoveel dierlijk vernuft.





 

 

 

De kaardebol eet zich vol







De kaardebol is een mysterieuze plant. ‘Kaarde’ is weliswaar afgeleid van het Latijnse ‘Carduus’, wat distel betekent, maar toch is de plant geen distel. Desalnietemin doen de stekels van de kaardebol niet onder voor die van een distel, maar dat is niet wat ‘m speciaal maakt. Het speciale zijn de bladeren. Deze zijn zo met de stengel vergroeid dat er tussen twee bladeren een komvormig bakje ontstaat. In dat bakje staat vocht, maar niet zomaar regenwater. Ook als het droger is staat er vocht in. De plant zelf brengt het vocht in zijn komvormige bladoksels. Dat doet ie niet voor niets. De kom is steil en glad, waardoor insecten makkelijk in het water donderen. Het waterige sap bevat stofjes waarmee insecten opgelost worden. Wat er daarna mee gebeurt, daarbij laat de wetenschap ons in de steek. Onbekend, dus. Wetenschappers stellen dat het vocht met de verteerde insecten niet door de plant wordt opgenomen, maar ondertussen verdwijnt om de zoveel tijd wel het vocht uit de kommetjes. De plant gebruikt het kostelijke vocht niet? Het klinkt bijna als roken zonder te inhaleren. De kaardebol is in de literatuur enkel een vleesverterende plant. Wellicht zijn mierenzuur en fruitvliegjesbloed niet goed voor de plantaardige lijn.

Wat mij opvalt aan het hele verhaal is dat de mogelijkheid insectenbestrijding nergens genoemd wordt. Een plant die zo creatief is dat ze haar kwelgeesten weet te vangen voordat ze schade aan kunnen richten is evolutionair gezien goed bezig. Of de Kaardebol zich vervolgens vol eet aan het kostelijke vocht is vers twee. Het is gewoon Kaardebol versus insecten: 1 - 0


Archetypa studiaque patris





In 1592 publiceert Jacob Hoefnagel, dan nog slechts negentien jaar oud, in Frankfurt een boek van tweeënvijftig gravures gebaseerd op schilderijen van zijn vader. De volledige titel van het werk is: 'Archetypa studiaque patris Georgii Hoefnagelii Jacobus F. Genio duce ab ipso scalpta omnibus philomusis amict D. ac perbenigne communicat' wat vrij vertaald betekent: Originele schilderingen/tekeningen door Joris Hoefnagel, gegraveerd in koper onder leiding van zijn genie, in vriendschap voor alle liefhebbers van de Muzen door zijn zoon Jacob. Heel hoogdravend dus.

Het boek bestaat uit vier delen, elk met een eigen titel-pagina en een dozijn gravures van verschillende soorten flora en fauna. De opbouw van de prenten maakt het boek zo speciaal. Er wordt niet gewerkt met een geclassificeerde opbouw, maar een opbouw naar een schijnbare* willekeur, waarbij de rangschikking van de planten en dieren (waaronder een opmerkelijke hoeveelheid insecten, slakken en ander "gespuis") belangrijker is dan een nauwkeurige weergave van de natuurlijke setting waarin ze voorkomen. Toch werden de dieren en planten in dit boek niet mooier voorgedaan dan ze waren. Dit was een belangrijke stap in de richting van de opname van flora en fauna in het juiste perspectief en zo een eerlijke weergave van de werkelijkheid. Het boek werd dan ook op grote schaal door kunstenaars in de 17e eeuw, waaronder Maria Sybilla Merian, als bron voor eigen werk gebruikt.

Het werk is als geheel te raadplegen op de website van de universiteit van Straatsburg

*Elk van de Archetypa 's gravures bevat een paar Latijns-motto's of aantekeningen. Deze combinatie van tekst en beeld verleent het werk een symbolische kwaliteit. De wijze waarop de afzonderlijke elementen op de prenten zijn georganiseerd is verbonden aan religieuze symboliek. De teksten zijn vaak vroom, godsdienstig, of waarschuwend van aard: velen zijn bijbelse of klassieke citaten, anderen zijn bedacht door (Joris) Hoefnagel zelf.

Albrecht Durer; mooie prenten




Een vliegend hert als onderwerp voor een kunstwerk. Niet heel erg bijzonder zou je zeggen, maar dat was het in 1505 dus wel. De kever als afzonderlijk kunstwerk was zeer ongebruikelijk. Insecten werden rond 1500 als de laagste schepselen gezien. Van die monsterlijke gedrochten een kunstwerk van maken was zonde van je schildersmateriaal.
Albrecht Dürer (1471-1528) dacht daar toch heel anders over. Hij bestudeerde het gehoornde insect en kwam tot de conclusie dat het wezen net zoals zoveel in de natuur zeer kunstig in elkaar stak. Hij was dan wel een Duitser, maar deed zijn inspiratie op in Italië waar de Renaissance in volle bloei was. Hier studeerde hij schilderstechnieken, maar ook wiskunde, geometrie en klassieke literatuur. Hij leerde er onder andere de techniek clair-obscur, waarbij door met schaduw te spelen taferelen nog nadrukkelijker tot leven komen.

Zo ook bij het vliegend hert van zijn hand. Het staat bijna heroïsch op de poten met z’n harde zwart glimmende lichaam, bollende vleugels en monsterlijke kaken. Het is met veel zorg en respect in detail getekend. Ieder haakje aan de poten of segment van de voelsprieten klopt. De kleuren raken de juiste toon en de subtiele schaduwen en lichteffecten suggereren dat het beest ieder moment zijn weg kan vervolgen. Om ons vervolgens in verbazing over zoveel moois achter te laten.

vliegen

Ze zijn bizar, kleurrijk en exotisch.  Het zijn nepvliegen om mee te vliegvissen! Als deze vliegen vliegen, vliegen vissen vliegen achterna.  De vis, in dit geval een forel, ziet het kleurrijke ding aan voor een insect. Vraag me niet waarom, maar ze happen er iedere keer weer in. De detailering in het draadje rond het buisje, de lengte, de kleuren en de lengte van de "vleugels" lijken wel hogere wiskunde. Maar wat is nu het ultieme vliegje? Dat lijkt niemand te weten. De mens is inventief en zoekt gewoon steeds weer verder naar nieuwe vormen om de vis te verleiden. En de vis? Ach, het visseoog wil schijnbaar ook wat.






Harsmannetje



 
Een van de onderwerpen waarover ik al vanaf de start van Frumingelo over wilde schrijven was het harsmannetje. Het kwam er steeds maar niet van. Maar het onderwerp bleef kleven. In het geval van harsmannetjes letterlijk.

De roodbruine rupsen van het Harsbuilmotje (ja, dat is een bestaande vlinder) bevolken de heide en maken hun huis in vliegdennen aan de rand van de hei. Hun larven wonen in fraaie huisjes van hars, die harsmannetjes worden genoemd. de larf vreet zich door de schors en het hout van een Grove den. Deze vliegden probeert de ongewenste indringer tegen te houden door hars af te scheiden, maar de rups weet de overvloedige afscheiding zo te regelen dat er een flinke bult ontstaat, waar ze zelf in kan wonen. Het uiterst comfortabele huisje wordt opgebouwd uit hars van de boom en uitwerpselen van de rups. Het insect weet dit goedje netjes aan elkaar te brouwen.

Het rupseltje heeft ongeveer twee jaar nodig voordat ze zich verpopt tot dat onooglijke motje. Ondertussen weet de rups zich veilig in z'n behuizing die op de eigen groei uitgebreid wordt. De rups leeft van de sappen van de den. In het eerste jaar valt het harsmannetje nauwelijks op. Het huisje van hars groeit namelijk niet zo hard. Na twee jaar is het harsmannetje drie á vier centimeter groot en zo'n grote harsklont begint toch echt op te vallen. Er zal echter geen insectenetende vogel naar kraaien. De rups zit helemaal goed beschermd in z'n kleverige woning en is geeneens smakelijk vanwege z'n hars-dieet. Verpopte rupsen worden, volwassen harsbuilmotjes en vliegen uit rond mei -juni. De onopvallende, grijsbruine vlindertjes leggen hun eitjes op jonge zijtakjes van grove dennen en zo begint de cyclus weer van voor af aan.

Harsmannetjes zijn de aanmaakblokjes van de natuur. Pyromaantjes in de dop gingen vroeger dan ook fanatiek op zoek naar deze harsproppen als ze van plan waren om een knapperend kampvuur te maken. Zolang de oude proppen worden gebuikt blijft de stroom aanmaakblokjes zichzelf vernieuwen en kunnen we blijven genieten van een knetterend vuurtje met zo nu en dan een ontploffend harshuisje.

Bombus lapidarius: Steenhommel

De steenhommel , of op z'n sjiek Bombus lapidarius is een opvallende hommel die algemeen voorkomt. De vrouwtjes van de steenhommel zijn op het eind van het achterlijf na bijna helemaal zijdeachtig zwart behaard. Nu is dat bij dames van de  menselijke soort niet echt aantrekkelijk, laat staan dat het eind van het achterlijf helderrood gekleurd is. Bij de Steenhommel-vrouwtjes staat het echter erg sjiek. Een couturier zou zeggen "Dressed, but not overdressed". De Steenhommel-heer heeft naast een zwart pak en een rode kont ook nog een brede kraag,  een lichtgele snuit en vaak een lichtgele band over het borststuk. Dat maakt ze meteen een heel stuk meer gewoon hommel-achtig dan hun vrouwelijke partners die het niet zo bont maken.

Zoals een goede heer of dame beaamt steekt de Steenhommel zijn tong niet al te ver uit. De Steenhommel is wat je kunt zeggen een echte allesproever die eet wat het seizoen hem voorsschotelt, zolang het maar nectar is. In het vroege voorjaar is dat voornamelijk wilg en Klein hoefblad. In de ontluikende lente zijn de paardenbloemen aan de beurt en in de zomer is deze bijzonder mooie verschijning verslingert aan een bont smaakpallet van Witte dovenetel, Zenegroen, Hondsdraf, Witte klaver, Koolzaad en alerhande distels. Zo houden ze het wel tot oktober uit. De late herfst en de winter worden doorgebracht in hun nest dat kan bestaan uit een oud verbouwd  muizen- of vogelnest, maar ook net zo goed in een muurspleet of onder de grond gevestig kan zijn. De Weidehommel en de Grashommel lijken op enkele details na op de Steenhommel. Toch blijft deze laatste mijn favoriet. De rest zijn enkel wannabees.

Insectenbehang

Mensen krijgen vaak een beetje de kriebels van wat grotere insecten. Als het zo groot is als een vlinder maar geen vlinder, gaan hordes mensen op de loop. Het is tijd voor rehabilitatie van grote insecten. Naast nuttig zijn ze vaak ook erg mooi. Jennifer Agnus is een kunstenares die iets zeer bijzonders doet met insecten. Ze bekleed gehele muren met geometische figuren opgebouwd uit echte insecten. Het insectenbehang ziet er bijna uit als kantwerk zo precies zijn de insecten opgespeld. Ze zitten goed vast en zijn dood, dus nu hoeft geen levende ziel meer bang te zijn. Van dichtbij zijn insecten gewoon kunststukjes. De kleuren, het gladde van het schild, de in elkaar scharnierende pootdelen. Uit alles spreekt een inteligent design. Jennifer Agnus maakt dit met haar wonderschone creaties inzichtelijk. Er is niets om bang voor te zijn.
De insecten die voor het grootste deel uit Thailand en Maleisië komen zijn niet bedreigd in hun voortbestaan. Sterker nog, een deel wordt speciaal voor verzamelaars gekweekt en de kunstenarea hergebruikt de opgeprikte insecten door ze na een expositie weer op te bergen in doosjes. Het overgrote deel van de door Jennifer gebruikte insecten planten zich razendsnel voort. Daarmee is het een soort hernieuwbare bron geworden. Iets wat voor hun oorspronkelijke habitat, het regenwoud, niet gezegd kan worden. Helaas verdwijnt dat nog steeds in rapper wordend tempo zonder dat we ons bewust zijn van wat we doen. Jennifer Agnus wil met haar creaties bewondering en verwondering opwekken bij mensen. Daarmee draagt ze haar steentje bij aan het bewustwordingsproces. Wij zijn deel van de natuur. De natuur is een deel van ons. De mens kan niet zonder de natuur. De natuur wel zonder de mens.
Kruip, vlieg of fladder naar de site van Jennifer Agnus

Bijproducten

Dat bijtjes in zwermen en rijtjes helemaal geen honing uit een kelk zuigen was een bij vele al bekend. Herman van Veen bedoelde natuurlijk nectar, maar dat is zo'n moeilijk woord en onbekend bij kinderen. De nectar en stuifmeel dat de bijen verzamelen zetten die vlijtige insecten om naar enkele producten die we allemaal (van groot tot klein) kennen. Bijenwas en natuurlijk honing. Echte Bij-producten.
Als was was was, was was was. Maar daar heb je niets aan als je wilt weten hoe die was nu eigenlik ontstaat. Nu, een bij eet nectar en stuifmeel. Dit beland in de maag van de bij en twintig uur later breekt bij de bij het zweet uit. Et voilà; ruwe bijenwas. De was die uit acht zeer kleine wasklieren aan de onderzijde van het achterlijf uit de bij gekomen is is eerst nog kleur- en geurloos. De bij neemt het uitgezwete spul in haar bek en kauwt het dan met toevoeging van wat speeksel tot een korreltje. Een korreltje was. Duizenden van zulke korreltjes op elkaar geplakt vormen een raatwerk van zeshoekige raten die pas na enige tijd door inwerking van honing en stuifmeel de gele kleur en de heerlijke geur van de bijenwas verkrijgen.
Weer even terug naar de bijen en de nectar die ze in zwermen en rijen uit de bloemkelken halen. De bijen zuigen de nectar uit de kelk van de bloem en bij aankomst in de bijenkorf wordt de nectar afgegeven aan andere bijen die de nectar omzetten met enzymen naar honing. Hiervoor wordt de nectar meerdere keren “opgekotst”. Hierbij komen er steeds wat meer enzymen bij de nectar waardoor deze fementeert en vocht verliest. Eigenlijk is hetgeen wij zo enorm smakelijk vinden bijenbraaksel. Het is maar dat je het weet. De honing die uiteindelijk door de werksters opgeslagen wordt heeft door de "herkauw"-behandeling" een vele male zoetere smaak gekregen dan de oorspronkelijke nectar. Na het opslaan rijpt de honing en wordt het bijzondere goedje beter bestand tegen bederf. Daarmee is de honing slingerklaar voor de imker.
Bekijk hier een instructiefilmpje van Bert Vischer over honingslingeren (en gratis en voor niets ook uitleg over de wondere wereld van de filatelie)

Vlindervleugels

Het mooiste aan een vlinder zijn de kleuren en patronen op de vleugels. Deze dienen als lokmiddel voor soortgenoten of juist als camouflage tegen predatoren. Veel over het ontstaan van de kleuren en samenstelling van vlindervleugels is nog onbekend. Maar wat er bekend is is wonderlijk en ingenieus.
De kleuren op vlindervleugels ontstaan op twee verschillende manieren: via pigmenten en via zeer kleine (nano)structuren op de schubben, die ervoor zorgen dat licht op een gerichte manier verstrooid wordt. Nu moet ik toegeven dat ik nooit aan schubben had gedacht bij vlindervleugels, maar dat is dus dat "poeder" wat bij de lichtste aanraking met de handen losraakt. De een noemt het schilfers, de ander dakpannetjes en dat laatste is gezien de microscopische beelden van vlindervleugels nog helemaal niet zo'n gekke vergelijking. Een vleugel van een vlinder is samengesteld uit een grote verzameling schubben die zo’n 50 bij 250 micrometer groot zijn. Aan beide kanten van de vleugels zitten twee laagjes met overlappende schubben die licht reflecteren. Hoe meer schubben, hoe meer licht er gereflecteerd wordt. Twee lagen is daarbij optimaal anders wordt de vleugel te zwaar. Een schub bestaat ook weer uit twee lagen, verbonden door pilaren. De onderlaag is vrijwel vlak en zonder structuur, maar de bovenlaag wordt gevormd door een groot aantal langgerekte en parallelle richels, met een onderlinge afstand van een tot twee micrometer. Hierin liggen putjes en piekjes met afmetingen die vergelijkbaar zijn met de golflengte van zichtbaar licht. Ze liggen zeer regelmatig gerangschikt, en geven daardoor de laagjes een soort microscopisch honingraatmotief. De ontdekker van die structuur is de Britse onderzoeker Pete Vukusic. Hij liet zijn licht schijnen over dit onderwerp en kwam tot de conclusie dat sommige lichtgolven al weerkaatsen in de bovenste laag, terwijl andere verder doordringen en daar weerkaatsen. De weerkaatste lichtgolven voegen zich daarna weer bij het licht dat al eerder werd gereflecteerd, maar doordat ze een nét iets langere weg hebben doorlopen zijn de lichtgolven niet meer helemaal gelijk aan elkaar. Daardoor wordt het licht van de ene kleur vele malen versterkt, terwijl andere kleuren juist uitdoven. En voilá, er ontstaat een mooie heldere kleur. Dat vlinders dit kleurenspel goed onder de knie hebben is heel knap, maar sommige vlinders gaan nog verder. De Papilio-vlinder uit Zuidoost Azië is groen van kleur. Tenminste voor ons dan, want de vlinder is eigenlijk niet groen, maar blauw en geel bij elkaar. De structuur van de vleugels weerkaatst en versterkt beide kleuren. Onze ogen kunnen niet scherp genoeg kijken om de twee kleuren van elkaar te onderscheiden en daarom zien wij groene vleugels en waarschijnlijk doen predatoren dat ook. De groene kleur werkt als camouflage, zodat de vlinder onzichtbaar op bladeren kan zitten. Het mooie is dat de Papilio-vlinder zelf enkel de kleur blauw kan zien. Hierdoor steken soortgenoten opvallend af tegen het groene plantengeweld. Al met al zijn vlindervleugels een waarlijk wonder der natuur. En dan heb ik het nog geneens gehad over hun veelvormigheld, monsterlijk mooie rupsen of de prachtige patronen op de vleugels van deze vliegende kunststukjes. Er is nog genoeg te ontdekken.

Coleoptera difetto radiazioni

Dat het blootstaan aan een flinke dosis radioactieve straling ongezond is is alom bekend. Maar wat gebeurt er als er maar kleine hoeveelheden ergens voorkomen? Wat voor invloed heeft dat? Die vraag werkt Cornelia Hesse-Honegger al jaren uit in haar schilderingen van kleine kleurige insecten. Ze verzamelde deze insecten rond kerncentrales, kernafval-verwerkingsinstalaties en op oude atoombom-proeflocaties. Hierbij zocht ze contact met wetenschappers die haar zouden kunnen helpen bij de determinatie van de verschillende soorten. Vreemd genoeg was het animo om haar te helpen klein. Blijkbaar zijn er onderzoeken waar wetenschappers hun vingers niet aan willen branden.
De zeer mooie schilderingen laten insecten zien die op het eerste oog niets mankeren. Maar toch, vervormde vleugels en gekrompen poten zijn geen alledaagse afwijkingen bij insecten. Er is dus duidelijk meer aan de hand. Tezamen vormen deze freaks on six legs een waar rariteitenkabinet van vervormde wezens. Dat geeft te denken over deze bron van "schone" energie die nu weer op veel verlanglijstjes van landen staat. Het geeft wellicht wel antwoord op de terughoudendheid van de wetenschap. De belangen zijn te groot. De door straling vervormde kever is wat dat betreft door ons soms letterlijk een poot uitgedraaid.
Bekijk hier de andere insecten en lees het verhaal achter de werkwijze van de kunstenaar.

Gallen

Een insect prikt in een plantenstengel, blad of boom, legt eitjes en verdwijnt. De gestoken plant in kwestie spuugt de indringers niet uit. Dat is op zich al vreemd, maar wat nog vreemder is hetgeen de plant wel doet. Afhankelijk van het insect wordt er een kraamkamer rond het broedsel gebouwd. De gal. Een gal kan er uitzien als een rare verdikking in de stengel van een plant, maar ook als een pluizige bal zoals hiernaast.
Dat een plant "weet" wat er gebouwd moet worden en dat daarna dan ook nog doet is een mooi kunstje natuurlijke verleiding. Hoe zo'n klein insect dat doet is fasinerende denkstof. Ik wil dan ook niet weten dat chemische stofjes die lijken op de groeihormonen van de plant zelf (zoals Aminozuren, adenine, cytokininen, auxine- en gibberelline) hierbij van belang zijn. Dat vergalt een stukje van de mystiek. Laat mij wat dat bereft maar lekker in het verwonderings-stadium.
De tekening van een mosgal op een hondsroos is deel van een verzameling tekeningen die zijn gemaakt door Agnes Jongmans (2-9-1881 / 8-7-1958). Samen met Dr. W.M.I.Borst Pauwels (de man waarmee ze later trouwde) maakte ze in totaal 104 tekeningen van verschillende gallen. De tekeningen zijn gemaakt in de omgeving van onder andere Poelgeest, Noordwijk, Katwijk, Drunen, Bloemendaal, Wassenaar, Winterswijk, en Overveen in de jaren 1907 en 1908. Het zijn zeer mooie acurate tekeningen die gemaakt zijn om hun bruikbaarheid. Daardoor hebben ze niet het gelikte van een floraprent die je in een boek kan verwachten (zie ook Zweedse prenten) maar dat maakt ze voor mij niet minder. Ik hou er wel van als je kan zien dat iets gebruikt is.
De rest van de gallen vindt je hier
De tekeningen zijn in real life te bezichtigen in het Natuurmuseum in Nijmegen.

Related Posts with Thumbnails