Posts tonen met het label Literaturia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literaturia. Alle posts tonen

sterrenkaarten





Je kent ze wel, van die tekenbladen waarbij je de puntjes op een bepaalde wijze moet verbinden waarna er een kloppende tekening ontstaat. Vroege astronomen waren er dol op schijnbaar, want je kunt geen oude kaarten met hemellichamen open slaan of het stikt van de beesten en andere vreemde figuren in de lucht.

Jules Verne





Jules Verne was een geniale fictieschrijver die zijn verhalen doorspekte met vooruitstrevende techniek, reizen naar plaatsen waar nog geen man was geweest en dat dan in een vorm dat het ook nog eens bijzonder geloofwaardig overkomt. Hij is natuurlijk een grote inspiratiebron geweest voor uitvinders, verzamelaars en andere dromers, waaronder ondergetekende. Alle wetenschappelijke thema's werden in zijn boeken op een boeiende manier tot leven gebracht. Jules Verne liet ons alle hoeken van de aarde zien, van 20.000 mijlen onder zee tot aan de maan en van een wereldreis in 80 dagen naar het middelpunt van diezelfde bol. En overal was er wel iets bijzonders te beleven.




Albertus Seba





Albertus Seba was een succesvol apotheker die van 1700 tot 1736 niet enkel een apotheek had, maar vooral beroemd werd vanwege zijn Hobby. Zijn succes als apotheker gaf hem de kans om zijn echte passie na te streven: het verzamelen. Seba rende, wanneer de schepen aangekomen waren, naar de haven om te onderhandelen met zeilers en scheepschirurgen over de exotische planten en dierlijke producten die hij zou kunnen gebruiken voor het bereiden van medicijnen. Naast de geneeskrachtige elementen en kruiden had hij een grote verzamelwoede die van alles besloeg; zoogdieren, vogels, schelpen, insecten en slangen. Hoe exotischer hoe beter.
Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt. Na tien jaar van geneeskrachtige recepten schrijven en verzamelen werd hij opgemerkt door tsaar Peter de Grote en werd zijn hofleverancier (het gerucht gaat dat Seba soms betaald werd in verse gember). In eerste instantie leverde hij vooral geneeskrachtige poeders, maar al spoedig kwam Peter de Grote te weten dat Albertus Seba een hele mooie verzameling had. Nu was Peter de Grote ook zelf verzamelaar al verzamelde hij ook andermans verzamelingen. In dit geval werd er na een lange correspondentie overeenstemming bereikt over de aankoop (15.000 gulden) en werd de gehele verzameling van Albertus verscheept in 17 kisten naar de tsaar. Daarmee werd Seba op slag een schatrijk man. Hij begon vrolijk aan een tweede verzameling en liet meteen ook een aantal boekwerken met gravures gebaseerd op zijn verzameling maken.

Het complete naslagwerk heette heel ‘bescheiden’ Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio - Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur. Linnaeus bezocht het kabinet van Albertus Seba in 1735 het jaar voor Seba’s dood. Linnaeus zou in zijn werk maar liefst 284 keer citeren uit het werk van Seba. De eerste twee delen van Seba's collectie werden nog uitgegeven toen hij leefde, het derde en vierde deel pas ver na zijn dood toen zijn tweede verzameling uiteen gevallen was door een openbare veiling. Het waren stuk voor stuk bijzondere boeken waarin wetenschap, verbeelding en kunstzinnige interpretatie verweven waren. De platen werden gemaakt door een keur van kunstenaars en graveurs die alles met een groot oog voor detail en een uiterste precisie in een mooie rangschikking weergaven. Een van de boeken gaat over zeeleven en werd voorbereid door Peter Artedi. Hij maakte zijn werk echter niet af. Na een etentje bij Albertus Seba had hij zoveel gedronken dat hij in de gracht viel en verdronk. In totaal werden er door verschillende kunstenaars 446 platen gemaakt in zwart-wit. Omdat kleurige platen beter verkochten werden de afbeeldingen later met de hand nog ingekleurd. Dat alles maakt de Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur van Seba tot een meesterwerk van onschatbare waarde.

veldgegevens






Bij het bestuderen van flora en fauna in een natuurgebied of je achtertuin is een notitieblok natuurlijk een onmisbaar artikel. Het wordt met ieder veldbezoek (of lekker op expeditie in de tuin) weer verder gevuld met waarnemingen en kennis over het bestudeerde fenomeen. Dat maakt ze waardevolle documenten. Nu kun je natuurlijk heel droog lijstjes met namen maken, netjes met datum, coördinaten en de weersomstandigheden, maar dat is niet iets waar mensen over een eeuw nog naar omkijken. Wat dat betreft had Leonardo Da Vinci het beter bekeken. Hij maakte bij zijn aantekeningen schema's en tekeningetjes die soms grof en soms juist verfijnd waren. Dat (samen met de vooruitziende blik van deze genie) maakt dat ze nu nog steeds bestudeerd worden. Een ander mooi voorbeeld is William D. Berry (1926-1979) Hij maakte in Alaska een hele serie kleine schetsen van wilde zoogdieren zoals beren (zie hierboven) en wolven met daarbij zijn bevindingen over het gedrag van deze wilde dieren. Door de tekeningen gaat het verhaal erbij leven. Het mooie van tekeningetjes is dat de tekenaar de nadruk kan leggen op juist datgene dat hem opviel bij zijn observatie. De ene keer is dat een dikke wintervacht, de andere keer een bijzondere pose of karakteristieke gezichtsuitdrukking. Het maakt dat je meegenomen wordt in een wereld die enkel een goed observator voor je kan ontsluiten, een wonderlijke wereld.

Appelrassen






Schilder maar eens een appel. Nee, laten we anders beginnen. Schilder maar eens alle bekende appels van Amerika. Een schie onmogelijke klus, die toch echt ooit uitgevoerd werd. Deborah Griscom Passmore (1840-1911) was negentien jaar kunstenaar voor het Amerikaanse ministerie van Landbouw (USDA). In een tijd dat foto’s nog duurder waren dan handwerk schilderde ze daar allerhande fruit. In totaal zijn er  meer dan 1500 werken van haar hand bekend. Van appels, peren tot kersen en aardbeien, ze schilderde ze allemaal. De aquarellen hebben een fotografische verfijning. De werken werden in bulletins  van het Amerikaanse ministerie van Landbouw gepubliceerd onder andere onder de noemer “Promising New Fruits”. Ze zijn zo mooi dat het water je bijna in de mond loopt van enkel het kijken.

Even terug naar de appeltjes. Er zijn op dit moment bij benadering 7.000 verschillende appelrassen. Het rare is dat we met z’n allen Jonagold, Granny Smith en Golden Delicious en nog een paar soorten appels eten en de rest van de soorten nooit in de winkel te zien krijgen. Da’s raar, maar waar. Maar waar een wil, is, is een weg. Dus zijn er gelukkig ook mensen die aandacht besteden aan lekkere oude appelrassen die zo vol van smaak kunnen zijn dat de supermarkt-appeltjes er maar bleekjes bij afsteken. Niks zoetsappige eenheidsappeltjes. Appeltjes met pit!
Zin gekregen in een appeltje? Koop dan een eigen fruitboom en kies daarbij voor een soort die vroeger ook bij jou in de buurt geteeld werd. Dan heb je straks een heleboel eigen appeltjes te schillen.

de wereld van Plinus de oudere



 



De Romein Plinius de Oudere is vooral bekend vanwege zijn meesterwerk, de Naturalis Historia. Halverwege de 1e eeuw na Chr. schreef Plinius 37 lijvige boekwerken vol met alle hem bekende feiten en feitjes. Het werd alsware een van de eerste encyclopediën en was een geslaagde poging om een compleet beeld van de (toen bekende) wereld te geven. Net zoals in het visboek van Adriaen Coenenz waren de boekwerken niet wars van (opbouwende) kritiek op hetgeen aangetroffen werd.  Zo schreef Plinius in boek XVI over het volk in het boomloze land aan de Noordzee:
 
Wat is de natuur en karakteristieken van het leven van mensen die leven zonder bomen of struiken. We hebben besproken dat in het oosten, aan de kusten van de oceaan, een aantal rassen in zulke behoeftige condities verkeren; Maar ook in het noorden hebben wij zulke volkeren gezien, te weten de de Chauken, die men onderverdeelt in de Grote en Kleine Chauken.
Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa's over een onmetelijke  vlakte, daarbij de eeuwenoude strijd door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken grond of terpen, die ze met de hand hebben opgeworpen tot boven het niveau van het hoogst bekende getij. Levend in hutten gebouwd op de gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken. Rond hun hutten vangen ze vis die probeert te ontsnappen met het aflopende getij. Ze kunnen geen vee houden en zich zoals naburige volkeren met melk voeden en ze kunnen zelfs niet met wilde dieren vechten, omdat al het bosland ver weg ligt. Ze vlechten touwen van zegge en moerasbiezen uit de moerassen om daarmee netten te kunnen uitzetten om vis te vangen. Zij graven slijk op met hun handen en drogen het meer in de wind dan in de zon, en met aarde (turf) als brandstof verwarmen zij hun voedsel en hun eigen lichamen, verkleumd in de noordenwind. Hun enige drank komt van regenwater, dat ze in kuilen in het voorhof van hun huizen bewaren.
En dit zijn de rassen die, als ze nu overwonnen worden door de Romeinse natie, zeggen dat ze vervallen tot slavernij! Het is maar al te waar: Het lot spaart de mens bij wijze van straf.
 
Die laatste uitspraak was niet van toepassing op Plinius zelf. Hij stierf bij de uitbarsting van de Vesuvius op 24 augustus 79 na Chr. waar hij door verstikking om het leven kwam bij een poging om bewoners van Pompeji te redden.

hoezo mischien?




Toon Tellegen is een geniaal schrijver! Hieronder een stukje van het bewijs:


Aan het feestmaal zaten ze bijeen. Ze wisten niet wat ze vierden, maar wel wat zij aten. De eekhoorn leunde op zijn ellebogen en slurpte dik beukennotensap naar binnen door een riet, langs de oever van de rivier gesneden, en naast hem zat de mier, die tussen zijn handen een reusachtige suikerklont hield waarop hij zoog en waarin hij soms ook beet. Dan zij hij: 'Hm', alsof hij gromde.
Iets verderop zat het hert, dat een groothoefblad op zijn bord had dat hij met mes en vork in fijne stukjes sneed die hij een voor een in zijn mond stak. Hij zat er zeer tevreden bij. Tegenover hem zat de bij die een kelk van een dovenetel vasthield en niets meer hoorde of zag en alleen maar dronk van de zoetste honing.
Bij, bij, bij! Riep soms het everzwijn naast hem, maar de bij hoorde hem niet. Het everzwijn at een bord met pap, en toen dat op was een emmer met in zure melk gedoopte hompen brood. Naast hem zat de bladluis, die zijn eigen eten had meegebracht, en daarnaast de kraai, die in een glimmende zwarte veter pikte, en daarnaast dreef de baars lui achterover in ee waterbed, waar zoete wieren in zweefden waar hij zo nu en dan aan sabbelde.........
uit: Mischien wisten zij alles van Toon Tellegen

Wat mij betreft verplichte leeskost voor iedereen (dus niet aleen kinderen) die verwondering hoog in het vaandel heeft staan.

onleesbaar: Voynichmanuscript





Wat hebben “groen fluim” en “mineurgolf” met elkaar te maken? Nou, het zijn beide anagrammen voor Frumingelo. Anagrammen werden in het verleden onder andere door wetenschappers gebruikt om hun ontdekkingen gecodeerd de wereld in te slingeren. Bij anagrammen worden de letters van een woord verhaspeld tot een andere woordcombinatie die niets of juist wel iets anders betekenen. Een van de meest bijzondere boeken dat waarschijnlijk geheel uit anagrammen bestaat is het Voynichmanuscript.

Dit manuscript stamt uit het begin van de vijftiende eeuw en is tot op heden onleesbaar. Dat werkt natuurlijk voor veel wetenschappers als een rode doek en vele hebben zich dan ook al de tanden op het boek stukgebeten (niet letterlijk natuurlijk). Het mysterieuze geschrift werd in 1912 ontdekt door de boekhandelaar Wilfred Voynich die het manuscript tussen allerlei oude documenten van Jezuïeten aantrof. Hij kocht het werk, maar kwam er al snel achter dat hij het ondanks de mooie tekeningen niet kon lezen. Hij schakelde meerdere geleerden in om de code te breken,maar het mocht niet baten. Het bijzondere boek gaf zijn geheimen niet prijs. Voynich stierf na achttien jaar onderzoek en was toen nog niets wijzer. De start van de wedloop om de code te breken was toen pas net begonnen. Een van de mogelijkheden is dat het gehele boek is opgebouwd uit Italliaanse anagrammen, tenminste dat denkt Edith Sherwood. Ze vertaalde inmiddels al hele stukken boek, maar of het ook klopt weet ik niet. Ik moet steeds denken aan het anagram dat Galilei ooit opschreef en door zijn tijdgenoten heel anders werd vertaald. Ergens hoop ik dat haar vertaling niet klopt en het mysterie van het geschrift intact zal blijven. Het boek hoeft wat mij betreft dus nog lang niet dicht.

loden boeken






De belangrijkste ontdekking van de christelijke geschiedenis worden ze genoemd. "Ze" zijn een 70-tal codexen met een religieuze inhoud en gemaakt van lood en koper. Ze zijn gevonden in Jordanië. De vondst is omstreden omdat al snel duidelijk werd dat in ieder geval een deel van de boeken vervalsingen zijn.

Het verhaal gaat dat Jordaanse bedoeïen de boeken samen met andere voorwerpen aantroffen in een grot ergens rond 2006. In 2010 doken ze weer op. De boeken bestaan uit metalen bladen (sommige niet groter dan pinpasformaat) en zijn met metalen ringen gebonden. Het vreemde is dat er ook "boeken" zijn die helemaal rondom dichtgemaakt zijn. De codexen bestaan uit vijf tot vijftien bladen. In de boeken en op de "kaft" staan verschillende zeer vroeg christelijke symbolen en tekens waarvan gezegd wordt dat ze geschreven zijn in archaïsch Hebreeuws. Daarmee zouden de boeken zomaar eens heel erg oud kunnen zijn. De schatting na eerste onderzoeken is dat de echte loden boeken minimaal 1800 jaar oud zijn. Ieder stuk zal echter onderzocht moeten worden op z’n authenticiteit. Waarom het oude materiaal uit de 1e eeuw na Christus vermengd is met vervalsingen is niet duidelijk, maar hoogstwaarschijnlijk heeft een handelaar er een extra slaatje uit willen slaan.

Voor dit kleine stukje tekst heb ik veel websites doorgelezen over dit onderwerp. Uiteindelijk heb ik Margaret Barker, een van de onderzoekers, meerdere vragen gesteld over dit onderwerp. Ik wil haar bedanken voor haar oprechte beantwoording van mijn vragen over deze bijzondere boeken. Op basis van haar informatie geloof ik niet dat het hele verhaal verzonnen kan zijn. Waarschijnlijk komt de Jordaanse overheid nog voor eind 2011 met een formele bekendmaking van de leeftijd, herkomst en mogelijk ook inhoud van deze rariteiten pur sang.




rariteitenkabinetten


Kunstkamers, rariteitenkabinetten, verzamelingen van de bijzondere buitenwereld in het klein. De gegoede burgers van de 16e, 17e en 18e eeuw schiepen met hun verzamelingen orde in het buitenissige wat de wereld te bieden had. In deze verzamelingen, die in latere tijden herschikt en opgesplitst zouden worden naar de aard van de voorwerpen, was nog geen onderscheid of scheiding tussen curiosa, devotionalia, naturalia en artificialia. Nieuwsgierigheid en verwondering voerden de boventoon, waarbij het kennisaspect enkel statusverhogend werkte.

De onderwerpen waren legio. Zo was het gebruikelijk om in ieder geval van de drie rijken der natuur een of meerdere voorwerpen te hebben. Rijk één was wat we nu geografie zouden noemen. Dit onderdeel van de verzameling bestond uit stenen met bijzondere herkomst, mineralen en fossielen. Rijk twee noemen we nu botanie en omvat alles wat met planten, oftewel flora, te maken heeft. Naast gedroogde (exotische) planten en stukken koraal werden er ook levende plantenverzamelingen aangelegd. Daarmee waren de Hortussen geboren. Verzamelingen met enkel bomen werden arboreta genoemd. Het derde rijk omvatte het gehele dierenrijk. Er was nog geen echte systematiek, dus een narwalhoorn kon gewoon gebroederlijk naast een opgezette stekelvis hangen in een verzameling. Naast gedroogde of opgezette dieren en skeletten bevatte het dierendeel van een rariteitenkabinet ook vaak fauna op sterk water in potten met opschrift. Een mythisch wezen kon zomaar in een van de potten z’n onderkomen hebben. De verzamelaars die het echt groots aanpakten verzamelden ook levende dieren, wat later uitmondde in de alom bekende dierentuinen.

En dat was dan nog enkel het onderdeeltje natuur. Onder het onderdeel artificialia viel alles wat met mensen te maken had, schilderkunst, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen van vaak exotische volkeren, historische boeken, prenten, beeldhouwwerk, sieraden, vuurwapens, devotionalia en nog een hele (niet nader te noemen) waslijst. Er zaten natuurlijk ook dingen tussen die we tegenwoordig curiosa zouden noemen. Feit is wel dat ook de artificialia later uiteen werden gehaald. De kunst in een apart museum, bijzondere volken naar het volkenkundig museum en historie naar de bibliotheek of in een oudheidkundig museum naar onderwerp. Alles netjes in een hokje.

Allesomvattende verzamelingen waren ook onderhevig aan de mode. Vanaf de 18e eeuw was het ordenen naar de laatste wetenschappelijke inzichten de mode. Specialisatie was het toverwoord. Alles wat niet paste binnen de verzameling werd verkocht aan anderen. De goed gefinancierde verzamelingen kregen uiteindelijk eigen musea. Verzamelen van het mooiste, bijzonderste en meest exclusief exotische was geen goedkope hobby. De gedreven verzamelaars verzamelde soms meer rariteiten dan hun fortuin aan kon. En hun nazaten zaten er dan mee. Veel van de meest bizarre verzamelingen, die zeker niet in een hokje te plaatsen vielen, vielen daarom dan ook uiteen door erfeniskwesties, financieel wanbeheer en onkunde.

wezenkastje





Wezenkastjes waren kastjes waar weesjongens vroeger hun persoonlijke bezittingen en gereedschap in bewaarden. Niet heel bijzonder. Meer bijzonder was een weeskist. Dat klinkt bijna het zelfde, maar was toch duidelijk iets anders. De weeskist bestond uit een met ijzer beslagen houten kist met vele genummerde laden met meer dan één slot, zodat er meerdere personen nodig waren om de kist te openen. In een dergelijke weeskist werden persoonlijke bezittingen van de overleden ouders zoals geld of persoonlijke erfstukken opgeborgen. De kist was zolang de wees minderjarig (of nog niet getrouwd) was in bewaring bij de weesmeesters van het weeshuis. Als het zover was mocht de wees zijn of haar deel op komen halen bij de weeskamer van de weesmeesters. Er werd dan een "Staat en bewijs van goederen" overlegd en het bewuste erfdeel werd overgedragen. Overleed de wees dan verviel de erfenis aan het weeshuis. Dat laatste was natuurlijk niet een erg goede motivatie om goed voor de wezen te zorgen. Wat dan ook niet altijd het geval was...

geld stinkt niet



Pecunia non olet of "geld stinkt niet" wisten de Oude Romeinen al te vertellen. Deze uitspraak wordt aan Keizer Vespasianus (9-79 na Christus) toegeschreven naar aanleiding van zijn nieuwe belasting op urine.

Urine werd gebruikt als ontvettend middel door leerlooiers. Urine bevat ammoniak, een stof die ondanks de nare geur wel heel goed schoonmaakt. Overal in Rome werden openbare urinoirs ingericht. Aan herbergen en op straathoeken stonden grote voorraadpotten waarin men vrijelijk kon plassen. Arme drommels konden een beetje geld maken door hun eigen urine te verkopen. Door de stijgende vraag ontstond al gauw een lucratief maar stinkend handeltje.


Het verhaal gaat dat Vespasianus" zoon Titus kritiek had geuit op het feit dat zijn vader een nieuwe belasting had ingevoerd op de openbare urinoirs. Daarop pakte de keizer het geheven belastinggeld, duwde het zijn zoon onder de neus en vroeg of het geld stonk. Nee, zei die. Toch komt het van de urinoirs, zei de keizer.



 

Griffioen




De grifis of griffioen (ook wel vogel grijp) is een zonderlinge en angstaanjagende vogel. Griffioenen zijn zo groot dat ze gewapende mannen kunnen doden. Hun klauwen zijn zo groot dat men er desnoods uit drinken kan, alsof het uit een hoorn was.
Deze vogels komen voor in Skythia, een gebied niet ver van India, waar ze op een ontoegankelijke plaats goud en edelstenen bewaken. Mensen dringen er zelden door, want zodra deze monstervogels een mens zien, storten ze zich op hem en doden ze hem, als waren zij door God geschapen tot bestraffing van de hebzucht en dat kan de waarheid ook wel zijn.
griffioenen zijn viervoetige vogels en hun kop en hun vleugels zijn die van de arend, maar zo veel groter dan arenden dat hun voorkomen elke beschrijving tart. Van achteren lijken ze op leeuwen. Het wezen heeft de oren van een paard en een hanenkam die lijkt gemaakt te zijn van vissenschubben. Ze haten het paard en de mens.

Bovenstaand fragment is een vrije vertaling van het beroemde boek: Der nature bloemen van Jacob van Maerlandt.

letterlijk bijzonder



Soms kom je van die dingen tegen die gewoon er om vragen om bekeken te worden. Zo ook het bijzonder mooie abc van Marin van Uhm. Gewoon genieten. Een bekende (inmiddels dode) modeontwerper zou gezegd hebben; "wat een mooie vormen en wat een kleuren! En hij zou groot gelijk hebben gehad. Nieuw? Nee, maar ook nog niet oud. Dit is gewoon tijdloos mooi met een hoofdletter Mmmm. Er staat uiteraard Frumingelo, de verhaspeling van het Antilliaanse frominga (wat mier betekent) met de toevoeging "lo". Tezamen vormt het een alternatieve schrijfwijze voor  mijn familienaam Van Mierlo: Frumingelo!

nonsens gedichten






Wat een heerlijke nonsensgedichten heeft de dichter Cees Buddingh toch geschreven. De Blauwbilgorgel is uiteraard het meest bekend, al mogen de vijfvooreenhoorn, de slurfparkiet, de hoplakever en de knork er ook zijn. Stuk voor stuk gorgelrijmen met een bijzondere woordsmaak, cadans en gekruid met een bijzondere mate van kolderie. Ach, weet je, de Blauwbilgorgel kun je nog wel ergens anders lezen. Laat ik hier eens de ballade van de pantippel laten klinken (wel hardop voorlezen anders hoor je nog niets).


Ballade van de pantippel


De pantippel werd geboren
op een mooie dag in mei,
met een arendsneus van voren
en een ezelsoor opzij.


Toen hij nauwelijks dertien jaar was
Zond zijn moeder hem naar zee,
En omdat hij nog niet goed gaar was
Ging zijn vader met hem mee.


Op 'De wijlen Christoph Wieland'
Monsterden zij  monter aan
Doch het schip is reeds voor Vlieland
In een noorderstorm vergaan.


't Laatste wat de meeuwen zagen
Was een zachtgeel ezelsoor,
Flappend in de regenvlagen
Toen ging ook dat oor teloor.






Hoe magisch tragisch!!






versneden verhalen





Iedereen heeft wel eens een opstel moeten schrijven waarbij je een (al dan niet) gelezen boek van de literatuurlijst moest ontleden met de hoop op een goed cijfer.
Georgia Russell heeft dat gegeven wel erg letterlijk genomen. Ze verknipt en versnijdt boeken tot kunstwerken met alle waardering van dien. Heiligschennis! zullen sommige bibliofielen zeggen, maar dat ben ik nu eens niet met ze eens. Het is één van de mooiste manieren om een boek te vernielen die ik ooit heb gezien. De boeken komen door haar speciale werkwijze tot leven. Het worden bijna levende organismen die een kijkje onder hun linnen oppervlakte geven. De transformatie van boek tot kunstwerk kost enorm veel tijd en geduld. Met een scapel bewerkt ze ieder boek alsof het een patiënt is. Daarbij lijkt het de ene keer alsof een licht briesje het boek uit z'n verband heeft geblazen en de andere keer alsof het boek z'n band ontgroeit met uitzinnige schoonheid van uiteindelijk toch doodgewoon papier. Het is maar goed dat het gevangen zit onder een glazen stolp.

Vrouw Holle





Wie is toch dat oude vrouwtje dat in haar wereld onder de waterput de kussens schud en het laat sneeuwen op de wereld boven haar? De gebroeders Grimm verzamelden volksverhalen waaronder die over Vrouw Holle. Deze verhalen zijn veel ouder van oorsprong, en dragen daardoor overblijfselen in zich van oudere kennis en mythologie. Is Vrouw Holle wellicht meer dan dat gezellige grootmoedertje met blozende appelwangen? In de volksverhalen gaat het niet enkel over Vrouw Holle, maar ook over Hell, Holla en Holda. Dat zijn de oudere versies van deze sprookjesfiguur. Laten we deze gezichten van Vrouw Holle eens een voor een afpellen.

Hell was de Noorse Godin van de onderwereld. Het land van de doden was haar koninkrijk. Iedereen die niet op het slagveld was gestorven kwam in haar rijk terecht en zij had de taak ze onderdak geven en voeding. Ze waakte daarnaast over de zielen van ongeboren kinderen. Voor men geboren wordt, verblijft men in het rijk van Hell en na het sterven keert men daar naar terug. De overeenkomst met vrouw Holle is het onderaardse rijk het zorgen voor eten (broden bakken en appels schudden) en het vermogen om mensen vanuit haar onderaardse rijk terug te laten keren naar de aarde. Dat de hel een afschikwekkende plek was is later verzonnen door de katholieke kerk. Het bestaan van de hel staat geeneens in de bijbel.


Holda is de Germaanse godin van vruchtbaarheid, de doden en van het nieuwe leven. Haar naam betekent 'goed', van het Duitse 'hold'. Vooral in Duitse gebieden staat ze onder deze naam bekend. Andere namen in Duitsland zijn Vrouw Holle ('Goede vrouw'), Holla en Hel. Holda is de vrouw van Wodan. De wilde jacht met Vrouw Holda aan het hoofd vindt meestal plaats rond de periode van Joele-Nieuwjaar, dan rijdt ze door de lucht met een troep Holden (wilde geesten). Daar waar haar groep de velden raakt dragen deze het jaar daarna de grootste oogst. De twaalf donkere dagen (of de dertien nachten tussen kerstdag en driekoningen ) zijn aan Holda gewijd, dan mag er niet gespind of getrouwd worden. Holda straft de luiaards en beloont de mensen snelst en mooist kunnen spinnen met rijkdom en geluk. Volgens legenden bewoonde Holda een berg die door een haan werd bewaakt. Deze haan kondigde de komst van de nieuwe dag aan. De haan en het onderaardse verblijf zijn wederom duidelijke overeenkomsten met Vrouw Holle. Ook het straffen en schenken komt overeen.

Het is dus duidelijk niet de een, of de ander, maar een soort collage van maskers waarachter de ware aard van vrouw Holle schuil gaat. Een verzameling mytische godinnen verzeild geraakt in een sprookje over het belonen van vlijtig werken en het straffen van mensen die lui, gierig, egoïstisch of onvriendelijk zijn.


AC - Engelenmeer

het temmen van het Ros Beijaard




Ic weet u een paert ende hiet Beiaert, dat heeft die cracht van ix orssen ende staet in een starcke toren, dair en darf niemant biden orsse comen overmits sijn quaetheit: dese Volbeiert is van een dromedrarius gecomen, het is so snel van lopen, al wairt dat een sparwer eerst wt zijnre muten quame ende so neder vloge dat die geen de op Beyaert sate hem reiken mochte, hi soude die sparwer sijn vederen corten al vliegende.’ Doe Reinout sijn vader dus hoirde prisen seide hi al lachende: ‘Vader, dat waer wel mijn paert.’ Doe sprac de edele grave Aymyn tot sijn soen: ‘Reinout, doet u wapen an u lichaem, dat rade ic u voirwair, want het is soe vreselic, ten laet hem niemant genaken. ende hevet een vreselic gebijt want het bijt stenen ghelic ander orssen hoy biten.’ Doe sprac Reinout de onvervairde: ‘Sal ic mi wapenen tegen een paert, het waer scande, wiet hoerde of sage, heren of ioncfrouwen.’ Doe sprac Aymijn: ‘Sone ic rade u dat gi u wapent want tors is groot fel ende starc.’ Als Reinout die woerden hoirde van sijn vader wapende hi hem in zijn volle hernas of hi ten stride gaen soude. Ende nam in sijn hant een stoc van een vame lanc ende ginc daer tors was; hem volgede veel ridders. ende ioncfrouwen om taensien hoet mit Reinout vergaen soude, sijn vader ende moeder volgeden mede, somwijlen lagen de ridders ende ioncfrouwen op ten muer. want si grote begeerte hadden te sien wat aventuere datter geschien sal. Doe hiet Aymijn datmen de stal ontslote ende seide tot Reinout: ‘Soen, dwinct dat orsse, ic salt di noch geven.’ Mit dien dat Aymijn de woerden tot Reynout sprac trat hi in die stal; als hi in was, sloet men de doere toe. Doe sach Reinout dat ors voer hem staen; dat ors sloech Reynout met een voet, daer hi stont, voer sijn hoeft dat hi al verdoeft viel ter aerden ende lach lange eer hi bequam. Vrou Aye dit siende, riep met groter haesten ende wranc haer handen seggende: ‘Eylacen, mijn kint is doot.’ Doe sprac de edele grave Amyn: ‘Soene, dwinct het ors, ic gevet di want icx niemant bet en gan dan u.’ Die edele vrou Aye riep seer iammerlic: ‘Aylacen, hi is doot: siet wair hi leit.’ Aymijn sprac: ‘Swijcht vrou, is hi van minen bloede ende heb ic hem gewonnen, gi en dort niet twifelen hi en sals wel genesen.’ Onderdes bequam Reynout ende scaemde hem dat hi daer lach; hi hevet sinen stoc verheven ende meende Beyaert dair mede ter neder te slaen, des hem Beyaert benam ende nam Reinout in sinen mont bi den halsberch de hi scoirde ende werp Reynout voer hem inder crebben. Reinout sloech weder op Beyaert ende Beiaert werp Reinout op de aerde: had Reynout van scanden mogen doen, hi hadde wten stalle gelopen. Doe nam Reinout Beyaert bi den hals ende hieltet manlic ende sloeget ros mit vuysten. Aldus wrastelende vocht hi lange tegen Beyaert, als nu boven als nu onder vechtende, creech hi hem den breidel inden mont ende sprancker op mit twe scarpe sporen, doe deed men de staldore wide open. Ende elc de vloech op hoechten om te sien den loep ende sprongen van Volbeyert. Als Reinout met Beiaert quam optrume, gaf hi hem die sporen ende den toem ende satter op of hijer wt gewassen hadde geweest. Beiert was groet, starc ende snel ende droech Reinout over twe wide graften mit een spronc: elc graft was wel xl voet wijt. Aldus reet Reinout een lange stont wech ende weder dat hi mode was ende dat ros Beiert was seer besweet ende bloede vanden spoerslagen die hem Reynout gegeven had: doe bete Reynout die degen vanden orsse ende dwoecht vanden bloede. Die vrouwen ende ioncfrouwen quamen vander muer om Beiert te sien, doe sprac de coene wigant: ‘Dit ors en gave ic om geen goet.’ Beiaert stont voir hem ende beefde ende leide zyn voeten te samen ende neech Reinout toe ende hi wennede dat ors datter een kint mocht om gaen spelen sonder misdoen. Het was pickswart, manen ende al datter aen was, voren wast wide ende seer breet over de hoepen. Reynout deder toe maken een costelic gereide, als toem, voerbuych ende couvertuerde ende een costelick sadel met vier siden daregaerden die seer ghenoechlijc waren om sien.

Hornboek

De voorloper van het leesplankje. Dat is dit uiterst zeldzame Hornboek. Het lijkt wel een beetje op een slecht vormgegeven ping pong-batje, maar ze werden in de 18e eeuw toch echt gebruikt in het onderwijs om kinderen lezen te leren. Het waren dan ook ooit veel gebruikte, algemeen voorkomende gebruiksvoorwerpen. Ze bevatten het alfabet in hoofdletters en in kleine letters, met daarbij soms ook nog de cijfers of een gebed.
De naam hornboek is niet zomaar gekozen. Een hornboek werd gemaakt door op een houten ondergrond een blaadje met de handgeschreven of gedrukte letters te bevestigen en dit daarna met een plaatje hoorn en repen leer of metaal vast te zetten. Natuurlijk waren er een boel varianten. Zo werd er ook wel mica gebruikt in plaats van hoorn, werden de letters ook wel eens in het hout uitgesneden of op het plankje geschilderd. Ook waren er hele kleine ivoren hornboekjes die meer weg hadden van spiekbriefjes dan van een leerboek. Het idee bleef echter het zelfde. Het gaatje onderin de steel zat er overigens niet voor niets in. Het hornboek werd met een koord gedragen om de nek of gebonden om het middel. Zoals ook nu nog het geval is zal deze voorloper van het leesplankje voor de ene leerling een zware last om de nek en voor de ander een handig leermiddel zijn geweest.

Related Posts with Thumbnails