Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

de stad Petra





Πέτρα, oftewel Petra was de hoofdstad van de Nabateeërs, een handelslustig volk. De stad is gelegen in een kloof in de heuvels van Jordanië en is gedeeltelijk uit de rotsen uitgehakt.
De bloeitijd van de stad is te danken aan de handelsroute voor wierook vanuit Jemen naar Perzië, Syrië en de Griekse en Romeinse rijken. De belastingopbrengsten van de handelaars maakten de heersers van Petra schatrijk, wat te zien is aan de gebouwen en de uit rozige zandsteen gehouwen grafmonumenten. Na enkele vernietigende aardbevingen en een oorlog met de Byzantijnen werd de stad verlaten om nooit meer een stad van de levenden te worden.






Gezwollen lucht





Iedere beroemde uitvinder heeft successen, maar ook minder briljante ingevingen op zijn naam staan. Zo ook Michael Faraday. Naast het feit dat hij vloeibaar chloor uitvond, en van allerlei belangrijke ontdekkingen deed met betrekking tot electromagnetisme heeft hij de wereld ook opgezadeld met de rubberen ballon. Tot 1824 waren de ballonnen nog steeds van dierlijke ingewanden wat ze niet echt aantrekkelijk maakte voor feestelijk gebruik, maar ze waren in ieder geval licht verteerbaar.  Faraday's ballonnen bestonden uit twee tot een zak aan elkaar 'gelaste' vellen latex rubber en werden al snel erg populair voor een geheel ander vermaak dan experimenten met Waterstofgas. Ze voldeden namelijk uitermate goed als versiering en ook als zoethoudertje voor kinderen. 
Om een ballon te laten zweven of stijgen moet ie gevuld zijn met iets dat lichter is dan lucht. Een licht gas dus. Licht is ook nog wel eens licht ontvlambaar. Na meerdere incidenten met Waterstof en gas uit de gaskraan werd uiteindelijk Helium gekozen als vulling. Hiermee stijgt de ballon tot wel 8 km hoogte alvorens uit elkaar te knallen en ter aarde te storten. Vervolgens dient het rubber als voedsel voor de dieren die met het slecht verteerbare materiaal gratis en voor niets een maagverkleining krijgen tot de dood er op volgt.

Het organiseren van een ballonnenwedstrijd is natuurlijk het hoogtepunt van de ballonnenliefhebber en daar ging het helemaal fout. Dat de ballon ook slecht kan zijn voor de mens bewees een megalomane recordpoging in Cleveland uit 1986. Als publiciteitsstunt voor de stad was bedacht om twee miljoen ballonnen los te laten. Na uitgebreide voorbereidingen was het zaterdag 27 september 1986 zover. Ongeveer 1,5 miljoen ballonnen verkozen het luchtruim met desastreuze gevolgen. De ballonnen ontregelden het luchtverkeer, maar niet heel erg lang. Door een koude luchtlaag vielen de ballonnen bij bosjes in het water en op de grond waardoor de omgeving bedekt werd met alle ballonnen. Als gevolg van de ballonnen ontstonden meerdere auto-ongelukken, maar het meest bizarre van het hele verhaal was wel dat de kustwacht niet uit kon varen om naar twee vermiste vissers te gaan zoeken door een extreem grote hoeveelheid ballonnen op het water. Deze vissers spoelden later aan en neem maar van mij aan dat dat zelfs tussen de resten van de ballonnen geen feestelijk gezicht was.




gewichtig






Stel je leeft in de 18e eeuw en hebt een zak graan gekocht op de markt van 's-Hertogenbosch. Dan heb je in andere woorden 1 mouwer oftewel 4 schepel aan graan in je bezit. Als je nu paard en wagen pakt en naar Heusden rijdt dan heb je ineens nog maar 3,5 schepel oftewel 112 maatje aan graan over zonder ook maar een korrel verspild te hebben. In Heusden is een schepel namelijk groter dan in 's-Hertogenbosch. Zo gaat het van stad tot stad en van regio tot regio. Overal waren de inhoudsmaten anders van grootte en naam en het zelfde gold voor lengten. Veelal waren de verschillende benamingen ook nog gekoppeld aan een bepaald product, waardoor een kan bier heel anders van inhoudsmaat was dan bijvoorbeeld een kan brandewijn. Het hele zooitje aan maten, gewichten, oppervlaktes en lengtes werd door Napoleon  rond 1820 op de schop genomen. Hij introduceerde de kilogram en de meter. Om gewichten af te meten werd er gebruik gemaakt van standaardgewichten. Om het rommelen met die gewichten te voorkomen werden de gewichten streng gecontroleerd. Iedere keer dat een gewicht goed werd bevonden werd er een letter van het alfabet in het gewicht geslagen. Dat maakt dat oudere gewichten vaak er uitzien alsof iemand ze versierd heeft. Ik vind ze er nog gewichtiger van worden.

Olmeekse hoofden





Diep in de moerassige jungle van Tabasco ontdekte José Melgar in 1862 een hoofd. Geen armen, geen lijf en zelfs geen nek werden gevonden. Enkel een heel groot, stenen hoofd van een Olmeekse stijder, zover was wel duidelijk, maar wie hadden dit gigantische hoofd gemaakt en waarvoor diende het? Het was onbekend en José Melgar zelf was trouwens op zoek naar olie in het oerwoud en niet naar een onbekende beschaving. Zijn ontdekking werd dan ook pas in 1896 op waarde geschat toen men al wat meer van de Olmeekse cultuur had gevonden.
In de vele jaren na de eerste vondst werden meerdere hoofden gevonden, in totaal 18 stuks. De geleerden zijn er redelijk over eens dat de hoofden waarschijnlijk portretten van Olmeekse heersers of belangrijke krijgers zijn geweest*, maar hoe ze op hun plek zijn gezet is nog een groot raadsel. Wellicht is dat op te lossen samen met de raadsels rond de beelden van Paaseiland en de piramides in Egypte. De koppen zijn namelijk tot ruim honderd kilometer verplaatst vanuit een steengroeve naar de huidige plekken. Het is grappig om te bedenken dat dit wellicht gedaan is met een techniek die nu volledig verloren is en die helemaal niet past bij de voorstelling die sommige archeologen hebben van de middelen die onze voorouders tot hun beschikking hadden. En dat voor een beschaving die ruim 1000 voor het jaar nul dit alles maakte. De Olmeekse hoofden houden in ieder geval hun kop er over dicht.

* er zijn echter ook mensen die vermoeden dat het de beroemde spelers voor moesten stellen van een balspel wat destijds net zo populair moet zijn geweest als het huidige voetbal.


Albertus Seba





Albertus Seba was een succesvol apotheker die van 1700 tot 1736 niet enkel een apotheek had, maar vooral beroemd werd vanwege zijn Hobby. Zijn succes als apotheker gaf hem de kans om zijn echte passie na te streven: het verzamelen. Seba rende, wanneer de schepen aangekomen waren, naar de haven om te onderhandelen met zeilers en scheepschirurgen over de exotische planten en dierlijke producten die hij zou kunnen gebruiken voor het bereiden van medicijnen. Naast de geneeskrachtige elementen en kruiden had hij een grote verzamelwoede die van alles besloeg; zoogdieren, vogels, schelpen, insecten en slangen. Hoe exotischer hoe beter.
Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt. Na tien jaar van geneeskrachtige recepten schrijven en verzamelen werd hij opgemerkt door tsaar Peter de Grote en werd zijn hofleverancier (het gerucht gaat dat Seba soms betaald werd in verse gember). In eerste instantie leverde hij vooral geneeskrachtige poeders, maar al spoedig kwam Peter de Grote te weten dat Albertus Seba een hele mooie verzameling had. Nu was Peter de Grote ook zelf verzamelaar al verzamelde hij ook andermans verzamelingen. In dit geval werd er na een lange correspondentie overeenstemming bereikt over de aankoop (15.000 gulden) en werd de gehele verzameling van Albertus verscheept in 17 kisten naar de tsaar. Daarmee werd Seba op slag een schatrijk man. Hij begon vrolijk aan een tweede verzameling en liet meteen ook een aantal boekwerken met gravures gebaseerd op zijn verzameling maken.

Het complete naslagwerk heette heel ‘bescheiden’ Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio - Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur. Linnaeus bezocht het kabinet van Albertus Seba in 1735 het jaar voor Seba’s dood. Linnaeus zou in zijn werk maar liefst 284 keer citeren uit het werk van Seba. De eerste twee delen van Seba's collectie werden nog uitgegeven toen hij leefde, het derde en vierde deel pas ver na zijn dood toen zijn tweede verzameling uiteen gevallen was door een openbare veiling. Het waren stuk voor stuk bijzondere boeken waarin wetenschap, verbeelding en kunstzinnige interpretatie verweven waren. De platen werden gemaakt door een keur van kunstenaars en graveurs die alles met een groot oog voor detail en een uiterste precisie in een mooie rangschikking weergaven. Een van de boeken gaat over zeeleven en werd voorbereid door Peter Artedi. Hij maakte zijn werk echter niet af. Na een etentje bij Albertus Seba had hij zoveel gedronken dat hij in de gracht viel en verdronk. In totaal werden er door verschillende kunstenaars 446 platen gemaakt in zwart-wit. Omdat kleurige platen beter verkochten werden de afbeeldingen later met de hand nog ingekleurd. Dat alles maakt de Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur van Seba tot een meesterwerk van onschatbare waarde.

fabergé eieren






Je hebt eieren en je hebt Fabergé eieren. Het fijne onderscheid is dat je bij Fabergé eieren je jezelf niet hoeft af te vragen wat er eerst was, want er is namelijk geen kip aan te pas gekomen. Fabergé eieren zijn kunstwerkjes zoals je niet veel zal zien (als je er al ooit een te zien krijgt). Met veel juwelen, edelmetalen en gesteenten. Ieder ei heeft zijn eigen naam en geschiedenis. Zo heet dit mooie groene exemplaar het Kelch Apple Blossom Egg of ook wel Jade Egg (ondanks dat het ei niet van jade maar van nefriet gemaakt is). Dit ei werd in 1901 door Fabergé gemaakt voor meneer Kelch die er mevrouw Kelch mee wilde verrassen. Het ei is ongeveer 14 cm lang, 10 cm hoog en staat op pootjes. Maar dan niet zomaar pootjes, nee het zijn rood en groen gouden bloesemtakken in de knop die het ei in de lucht tillen. De bloesems zijn van wit en rozig emaille met als hart een rose diamant. Het is al met al een heel mooi voorbeeld wat er gebeurt als art nouveau en japanse invoeden elkaar vinden in een ontwerp. Nu schijnt het zo te zijn dat het ei niet een op zich zelf staand cadeau bedoelt was, maar ook als verpakking diende voor een ander sieraad dat zijn opwachting maakte op een bedje van fluweel aan de binnenzijde. Wat het was is helaas niet bekend. Het was hoogstwaarschijnlijk ook iets met goud of diamanten.



Het hele circus rondom de juweel-eieren begon in 1885. De Russische Tsaar (de een na laatste) gaf zijn favoriete juwelier Peter Karl Fabergé de opdracht om een paasei-juweel te maken als gift voor zijn vrouw. Dit viel zo goed in de smaak dat het een ware traditie werd. De laatste Tsaar, Alexander III liet zelfs twee eieren per jaar maken door Fabergé, iets wat deze graag deed. In totaal maakte hij met zijn atelier vele eieren die overigens ook door andere zeer rijke personen gekocht werden. Het verhaal gaat dat zelfs de Tsaar niet wist wat voor ei hij zou gaan geven, noch wat voor verrassing het zou bevatten. In totaal zijn er (zover bekend) nog rond de 50 eieren bewaard gebleven. Het atelier van Fabergé werd gesloten na de Russische revolutie (1918) en (op een latere telg na) werden er vervolgens geen Fabergé-eieren meer gemaakt. Dat maakt de bestaande eieren zo kostbaar en uniek dat er nu nog steeds mensen speuren naar de verdwenen exemplaren. Zo werd er in 2001 nog een ei teruggevonden. Het was het laatste, nooit voltooide ei voor de tsarina.


Jachtig





Wat je ook van jagen vindt, het is een bezigheid met diepgewortelde tradities. Veel van de gebruiken rondom de jacht zijn ontstaan in de middeleeuwen. Ik las ergens dat in de middeleeuwen de jacht wordt gekenmerkt door symboliek, ridderlijkheid en sportiviteit, met het accent op drie begrippen: opsporen, opjagen en doden. Dat klinkt mooi, maar het is maar een kleine groep aristocraten die er van profiteert en daarnaast ook nog de zeggenschap heeft over een grote massa lijfeigenen en boeren. Die laatste bewerken de akkers en moeten niet alleen het grootste deel van de opbrengst aan de eigenaar afdragen, maar ook zijn rechten respecteren, zoals bijvoorbeeld het jachtrecht, visrecht, maalrecht en tolrecht. Het recht op de jacht wordt streng gehandhaafd, zo streng dat de belangen van het wild en van de jacht soms boven die van de voedselproductie worden gesteld. Dat gaat zelfs zo ver dat boeren niet het recht hebben om het wild, dat schade aanricht, van de akkers te verjagen en ze moeten aanzien dat adellijke jachtgezelschappen tijdens de jacht op hun paarden dwars door de ingezaaide velden denderen. De tegenstellingen zijn heel groot: terwijl lijfeigenen en boeren honger lijden, leven adel en geestelijkheid in decadente luxe. De geestelijkheid mag officieel niet deelnemen aan de jacht, maar is toch steeds present bij jachtpartijen en heeft niet zelden zelf uitgebreide jachtrechten in haar bezit. Waar het plebs op een houtje bijt verandert voor de aristocratie de noodzaak om te jagen in een stijlvol tijdverdrijf, dat zich tot een ware kunst ontwikkelt. Een kunst met regels en etiquette, met pracht en praal, met paarden en meutes (honden en of mensen), met netten, (kruis)boog, speren of zwaarden en uiteraard met valken. 
Bij vrijwel alle vormen van de middeleeuwse jacht spelen honden een belangrijke rol. Jachthonden moeten aan een aantal eisen voldoen: een goed reukvermogen hebben, moedig genoeg zijn om dieren te stellen (op de plaats houden) en blaffend aangeven waar ze zich bevinden), aan te vallen of te doden en een groot uithoudingsvermogen hebben om het wild langdurig te kunnen achtervolgen. De middeleeuwse jagers werkten het liefste met een gevlekte hond, zodat deze niet voor wild aangezien kon worden. Echte rassen zijn er in de middeleeuwen nog niet, maar zeker is dat door het fokken en selecteren van de meest geschikte honden een groot aantal rassen van onze huidige trouwe viervoeter zijn ontstaan. Als het gaat om het jachtrecht is aan de adel het recht op de jacht op groot wild voorbehouden (de zogenaamde hoge jacht). Lagere standen mogen onder voorwaarden op konijnen, hazen en veerwild jagen (de lage jacht). Er bestaat een opsomming uit 1502 van het te bejagen wild: Conijnen, Hasen, Perdrijzen, Fesanen, Putoren, Moerhoenderen, Cranen, Swanen, Reyghers, Quacken, Schollevaars en Lepelaars. Daarbij komen dan nog het wilde varken, edelhert en ree. De uitvinding van het buskruit en de komst van de eerste vuurwapens maken een einde aan de middeleeuwse jacht, maar niet aan de in deze tijd opgebouwde tradities. Deze leven nog altijd voort in de jachtige tijd van nu.





Bolbliksem






Bolbliksem spreekt tot de verbeelding en figureert in spannende en zo nu en dan sterke verhalen. Het is een mysterieus atmosferisch verschijnsel waarvoor de harde wetenschap wel spannende theorieën maar nog geen harde bewijzen heeft. Als men het heeft over het onverklaarbare elektrische fenomeen bolbliksem gaat het vaak over meldingen van lichtgevende , meestal bolvormige objecten vaak tijdens een fiks onweer. Een mooi verhaal komt van de laatste keizer van Rusland, tsaar Nicolaas II. Hij was als kleine jongen op een nachtwake samen met z’n opa in een kerkje in Alexandrië en liet het volgende optekenen: 

Tijdens de dienst was er een krachtige onweersbui. Strepen van de bliksem flitsten, de een na de ander, en het leek alsof de donderslagen de kerk en zelfs de hele wereld zouden laten schudden op zijn grondvesten. Plotseling werd het vrij donker, een explosie van wind blies de deur open en de brandende kaarsen uit. Daarna was er een lange donderslag, luider dan de voorgaande, en ik zag ineens een vurige bal die uit het raam recht naar het hoofd van de keizer vliegen. De bliksembal wervelde over de vloer, voorbij de kroonluchter en vloog toen door de deur naar het park. Mijn hart bevroor, Ik keek naar mijn opa - zijn gezicht was helemaal kalm. Hij sloeg net zo rustig een kruis als hij gedaan had voordat de vurige bal voorbij vloog en ik voelde dat het ongepast was en niet moedig om zo bang als ik was. Ik voelde dat men alleen maar hoefde te kijken naar wat er gebeurd was om te geloven in de barmhartigheid van God, zoals hij, mijn grootvader, deed. Nadat de bal voorbij gevlogen was door de hele kerk, en plotseling verdwenen door de deur, keek ik opnieuw naar mijn opa. Een flauwe glimlach speelde op zijn gezicht en hij knikte met zijn hoofd naar me. Mijn paniek verdween en vanaf dat moment had ik geen angst meer voor de storm." 
(Later zou een hele andere storm hem wel de kop kosten...)

Er zijn erg mooie theorieën bedacht rondom het ontstaan van bolbliksem en ondanks dat ik niets snap van de Transcraniële Magnetische Stimulatie Analogie of de Hydrodynamische Vortexring Antisymmetrie theorie zijn ze geheid stuk voor stuk zeer plausibele verklaringen. Toch blijf ik blijf een onopgelost mysterie aantrekkelijker vinden.

Ondanks de vaagheid van bolbliksems is het nog wel interessant om het fenomeen nog wat uitgebreider te beschrijven. Het verbaasde me niets dat beschrijvingen van bolbliksems sterk uiteen lopen. Er zijn bolbliksems gemeld ter grootte van een doperwtje tot en met de grootte van een fikse skippybal. De wijze van bewegen wordt ook steeds anders beschreven. Zo noemt de een het op en neer bewegen, de ander weer zijwaarts of in onvoorspelbare trajecten dwalen, bewegen met of tegen de wind in, stilhangend, aangetrokken tot, niet beïnvloed door, geabsorbeerd, of juist afgestoten door gebouwen, mensen, auto's en andere objecten. Sommige verklaringen beschrijven de bijzondere eigenschap dat de bolbliksems door massief van hout of metaal kunnen gaan zonder zichtbare schade te doen, terwijl anderen juist de destructieve aard beschrijven zoals het smelten of verbranden van metaal en hout en uiteraard het exploderen van het geheel met achterlating van een geur die lijkt op ozon, het verbranden van zwavel of stikstofoxiden. Bolbliksem is beschreven als transparant, doorschijnend, veelkleurig, gelijkmatig verlicht, met vlammende stralen, filamenten of vonken, met vormen die variëren tussen bollen, ovalen, peervormig, staven of schijven met veelal vage grenzen in de kleuren rood, oranje of geel en met een felheid die overeenkomt met een flinke lamp.
Kortom het fenomeen dat maximaal een minuut duurt en veel vaker 1 seconde heeft gezien haar inconsistente veelvormigheid haar ware aard nog niet onthuld.

De sleutel







Een sleutel is net als het bijbehorende slot een prachtig ding. Sleutels zijn vernuftig en oude sleutels zijn vaak ook nog mooi van vorm. Ze vertellen verhalen over eigenaars of je kunt er juist een verhaal bij bedenken. Hieronder een verhaal dat ik tegenkwam op de website van het Oorlogsverzetsmuseum Rotterdam. Het gaat om de sleutel met nummer 1184.


De mensen van het verzetsmuseum schrijven over deze sleutel het volgende:

Op een onbewaakt ogenblik wisten wij de hand te leggen op een grote metalen sleutel, ruim 11 centimeter lang, aangetast door brand en roest. Aan de sleutel zit met een touwtje een label gebonden. En dat maakt de sleutel tot een ware schat. Het is een label zoals door de politie werd gebruikt om in het puin aangetroffen voorwerpen mee te identificeren.

Op de voorzijde van het label staan o.a. vindplaats: Beurs, datum: 23/6/40, de vinder: de Bruin. De achterzijde van het label is met een fijn handschrift beschreven: 

"Deze sleutel was de sleutel van de Brandkast, die in de kamer van de directeuren stond. De sleutel lag 10 mei 1940 in een muurkast naast de brandkast. De Beurs verbrandde 4 dagen later volkomen, alle vloeren stortten omlaag, de brandkast evenzoo, verloor daarbij den bodem, de deur werd scheluw, de inhoud bestaande uit acten, stichtingsoorkonde, en dergel, verbrandde tot witte asch, en deze sleutel lag meters ver ernaast."

Sleutel en label spreken tot de verbeelding. De sleutel omdat hij zo fijn groot is en je de illusie geeft dat je er geweldige deuren mee zou kunnen openen. Het label meer prozaisch omdat het zicht geeft op een werkelijkheid die ooit bestaan heeft. Je ziet de mannen in het puin speuren naar voorwerpen die niet verwoest zijn. Hoe ze zorgvuldig elk object meenamen en beschreven en bewaarden. Niet omdat ze zoveel waarde hadden- want wat moet je met een oude roestige sleutel?- maar om wat ze vertegenwoordigen: De gebouwen, het leven waarin ze een functie hadden, en dat zo ruw werd weggevaagd.

Met dank aan het  Oorlogsverzetsmuseum Rotterdam voor deze beschrijving die recht doet aan deze alledaagse, maar o zo bijzondere voorwerpen waarmee we ruimtes ontsluiten en besluiten.

Pitt Rivers Museum





Het Pitt Rivers museum is een buitengewoon mooi museum in de victoriaanse traditie van verzamelingen. Het is genoemd naar een van de eerste "echte" archeologen, Pitt Rivers. Deze man, waarover ik las dat hij er op stond dat zijn vrouw zich zou laten cremeren ("verdomme nog an toe vrouw, branden zul je") legde de basis voor gedegen archelogisch onderzoek. Zo was hij niet enkel op zoek naar schatten uit het verleden (zoals veel van zijn oudheidkundige tijdgenoten), maar had hij ook oog voor dagelijkse voorwerpen en zelfs scherven. Wat hij opgroef etiketeerde hij ook, waarbij hij uiterst precies te werk ging. Kortom, hij deed wat we nu nog steeds netjes doen als er iets ouds naar boven wordt gebracht en dat in een tijd waar een plan om een spoorlijn over Stonehenge te laten lopen ("het ding verkeerd in slechte staat, heeft geen enkel nut en wordt toch niet hersteld" naar de bescheiden mening van een spoorwegfunctionaris) maar ternauwernood werd verijdeld.
Dit alles wil niet zeggen dat Pitt Rivers een fijne vent was. Nee, helaas stond hij te boek als een gierige en nare man. Zijn vrouw zal blij geweest zijn dat ze zich gewoon kon laten begraven toen hij eerder dan haar het tijdelijke voor het eeuwige verruilde.

Het Pitt Riversmuseum herbergt naast de collectie van Pitt Rivers (een kleine 50.000 artefacten)  in de tijd aangeworven collecties, met de meest bijzondere en exotische voorwerpen. Het is nog echt een museum met houten vitrines zoals je enkel in een oud museum kunt tegenkomen, maar op de website kun je ook een vituele tour nemen. Meer over het Pitt Rivers vind je op hun bijzonder uitgebreide website.

Crystal Palace



Cristal Palace was een uit de kluiten gegroeid kas-achtig bouwsel dat in 1851 het neusje van de industriële bouwkunst was. Het werd gebouwd voor de wereldtentoonstelling in Londen. Naast een enorme hoeveelheid van 84.000 m2 vlakglas was er ook flink wat gietijzer (en klinknagels) nodig om het "kristallen" gevaarte zijn stevigheid te geven. Het gegoten vlakke glas was een nieuwigheid en zorgde er voor dat er relatief goedkoop gebouwd kon worden. Wat mij zo facineert aan het gebouw is dat het "paleis" ondanks zijn glazen behuizing en metalen verbindingswerk niet kil of modern oogt. Het gebouw zat met oog voor detail in elkaar en heeft een warm karakter dat uitnodigd om er te zijn. Ik vraag me zelfs af of we niet weer terug zouden moeten naar meer van zulke mooie gebouwen in plaats van de onpersoonlijke en vaak schreeuwerige glazen torens die vandaag de dag de 'state of the art' moeten verkondigen.


Wat in 1851 begon als een licht kristallen sprookjespaleis eindigde in 1936 met een desastreuze brand in het opgelapte glazen complex. Daarmee viel de droom om ook toekomstige generaties te laten genieten van dit majestueuze bouwwerk in scherven uiteen.



zwangerschap

In de oudheid werden er ook kinderen geboren. Gelukkig maar. Dat bevallingen niet altijd lopen zoals gepland was ook toen bekend. In de 2e eeuw na Christus was er een Griekse arts die zich intensief bezig hield met het bevallingsproces. Zijn naam was Soranus van Ephesus en hij was tot 1526 de enige die zich echt serieus bezig hield met het onderwerp bevallen. Soranus van Ephesus beschreef in zijn boek 'Gynaecia' wat te doen bij bevallen. Hij bundelde daarmee alle toenmalige kennis van de gynaecologie, de verloskunde en de kindergeneeskunde in de Grieks-Romeinse wereld. Het gaat een beetje ver om alle onderwerpen van de 'Gynaecia' te bespreken, maar enkele zijn wel interessant om te noemen. Zo geeft Soranus tips voor het aannemen van een andere positie of het keren van het dwarsliggende kind. Daarnaast besteedde hij als eerste aandacht aan het toetsen van de gezondheid van het pas geboren kind, zoals het laten schreeuwen door het op de grond te leggen en nagaan of de moeder tijdens de zwangerschap wel gezond was geweest. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit (in 1952 kwam er pas een vergelijkbare toets: de APGAR-score). Als een kind niet positief uit de toets kwam was het kind volgens Soranus niet de moeite waard om opgevoed te worden. Dat klinkt hard, maar de mogelijkheden om zwakkeren in leven te houden waren toen nog erg beperkt. Hoe dat “niet opvoeden” gebeuren moest wist overigens zelfs Soranus niet. 

Napoleons haarlok



Je zal het maar hebben. Een tijdje terug schreef ik al iets over de ontvreemde vingers van Galileo, maar hij was niet de enige. Nadat Napoleon in 1821 op het eiland Sint-Helena overleed, werden zijn haarlokken afgeknipt. Die haarlokken werden verdeeld onder de belangstellende gevangenbewaarders als bizar aandenken aan de tijd dat ze op Napoleon "gepast" hadden. Een van de bewaarders was de Britse officier Denzil Ibbetson. Hij bracht Napoleon zes jaar voor zijn dood naar Sint-Helena, nadat hij bij Waterloo werd verslagen door een leger dat bestond uit Britten, Nederlanders en nog een heleboel huurlingen uit Hannover en Pruissen. Bij het heroverren van zijn eens uitgestrekte keizerrijk had Napoleon jammerlijk gefaald. Hij had zich de harenook wel zelf uit het hoofd kunnen trekken. De haarlok van de familie Ibbetson werd trouwens na vele jaren weer verkocht. De onbekende koper moet zich daadwerkelijk de keizer te rijk hebben gevoeld.




gebedsnoot





Een gebedsnoot was een stukje devotionalia dat in de 15e eeuw zijn hoogtepunt beleefde. De noot werd gebruikt om in afzondering te kunnen mediteren en bidden. Gelovigen wilden zich zoveel mogelijk met Jezus vereenzelvigen. Het mediteren over zijn lijden werd gezien als een goede manier om dat te bereiken. Daarom is er op voorwerpen die voor privé-devotie bestemd zijn vaak een afbeelding van de lijdende Christus te zien. Het was werkelijk mede-lijden. Ook in de 15e eeuw was een dergelijk kunstwerk enkel weggelegd voor de meest welgestelden. Het kostbare kleinood werd doorgaans bevestigd aan een bidsnoer, de voorloper van de rozenkrans. Wanneer de gebedsnoot mee op reis werd genomen, werd hij zorgvuldig opgeborgen in een beschermend omhulsel.


Het is dan ook zeker het beschermen waard. Het schitterende stukje houtsnijwerk is niet enkel bijzonder gedetailleerd het is ok nog eens erg klein van stuk. Het is maar een luttele 5cm in doorsnede. De miniatuur tafereeltjes zijn gesneden uit bukshout, ook wel palmhout genoemd. Dit harde hout dat fijn van structuur en nerf is, is afkomstig van de Buxus.

Wat zo bijzonder en tevens ook heel vreemd is, is dat deze objecten niet algemeen bekender zijn. Ze kunnen zich qua kunstigheid zeker meten met de bekendere middeleeuwse kunstwerken. Het lijkt bijna alsof ze door hun meditatieve functie verzonken zijn geraakt in het collectieve geheugen van de Nederlanders en Vlamingen.

fopkan




Een fopkan is een onmogelijk stukje aardewerk in de beste traditie van het bier drinken. Het is namelijk zo dat de bierkan (ook wel puzzle-jug of Kulkan genoemd) zo is gemaakt dat hij niet op de normale manier uitgedronken kan worden. Bij deze fopkan kwam het dan ook niet aan op drinkcapaciteit en maaginhoud, maar op behendigheid. De drinkwedstrijd werd nu pas echt interessant omdat de dronken broeders hun kan zo snel mogelijk moesten ledigen zonder er bij te brassen. Er waren verschillende modellen met enerzijds opengewerkte halzen en anderzijds alternatieve openingen of een soort ingebouwd rietje. Heel lastig drinken dus. Vooral de minder ingewijden wisten niet hoe ze de ongewone drinkkan moesten leegdrinken. Dit uiteraard tot groot vermaak van de omstanders waarbij de feestvreugde bij iedere er langs lopende guts bier verhoogd werd. Het was echt slempen (drinken met erg veel geknoei) op een hoger niveau. De fopkan was vanwege z’n vakkundige makers en de kunst om er uit te kunnen drinken een ware kunstdrinkenskan.


kijk eens naar het vogeltje






Een foto maken was in de beginjaren van de fotografie  niet echt een dynamische bezigheid. De fotograaf gebruikte nog grote glasplaten met niet al te lichtgevoelige stoffen  als opnamemedium. Er werd niet gewerkt met kunstverlichting, maar met daglicht. Een minste verstoring van het te fotograferen beeld kon de foto onscherp maken. Een minuut lang stil zitten vanwege de belichtingstijd zonder te bewegen was een hele opgave. Er werd dus van alles bedacht om de te portretteren personen stil te laten zitten. Er werden soms zelfs klemmen gebruikt die het hoofd en de armen, aan de achterzijde (dus buiten beeld) ondersteunden om zeker geen bewogen beelden te hebben. Het bekendste voorbeeld is echter de uitdrukking "Kijk eens naar het vogeltje!" De fotograaf had dikwijls een opgezet vogeltje op zijn hand of op de lens van het toestel zitten en de kinderen moesten "naar het vogeltje kijken en mooi stil zitten zodat het niet weg zou vliegen.
Israël David Kiek uit Groningen (1811-1899) gebruikte in ieder geval geen vogeltje. Hij was een was een Nederlands fotopionier zonder pretenties en fotografeerde vaak studenten of andere vrolijke gezelschappen. Hij had veelal lak aan het bevriezen van zijn foto-objecten. Zijn naam werd synoniem met uit de losse pols geschoten foto’s: het kiekje.





loden boeken






De belangrijkste ontdekking van de christelijke geschiedenis worden ze genoemd. "Ze" zijn een 70-tal codexen met een religieuze inhoud en gemaakt van lood en koper. Ze zijn gevonden in Jordanië. De vondst is omstreden omdat al snel duidelijk werd dat in ieder geval een deel van de boeken vervalsingen zijn.

Het verhaal gaat dat Jordaanse bedoeïen de boeken samen met andere voorwerpen aantroffen in een grot ergens rond 2006. In 2010 doken ze weer op. De boeken bestaan uit metalen bladen (sommige niet groter dan pinpasformaat) en zijn met metalen ringen gebonden. Het vreemde is dat er ook "boeken" zijn die helemaal rondom dichtgemaakt zijn. De codexen bestaan uit vijf tot vijftien bladen. In de boeken en op de "kaft" staan verschillende zeer vroeg christelijke symbolen en tekens waarvan gezegd wordt dat ze geschreven zijn in archaïsch Hebreeuws. Daarmee zouden de boeken zomaar eens heel erg oud kunnen zijn. De schatting na eerste onderzoeken is dat de echte loden boeken minimaal 1800 jaar oud zijn. Ieder stuk zal echter onderzocht moeten worden op z’n authenticiteit. Waarom het oude materiaal uit de 1e eeuw na Christus vermengd is met vervalsingen is niet duidelijk, maar hoogstwaarschijnlijk heeft een handelaar er een extra slaatje uit willen slaan.

Voor dit kleine stukje tekst heb ik veel websites doorgelezen over dit onderwerp. Uiteindelijk heb ik Margaret Barker, een van de onderzoekers, meerdere vragen gesteld over dit onderwerp. Ik wil haar bedanken voor haar oprechte beantwoording van mijn vragen over deze bijzondere boeken. Op basis van haar informatie geloof ik niet dat het hele verhaal verzonnen kan zijn. Waarschijnlijk komt de Jordaanse overheid nog voor eind 2011 met een formele bekendmaking van de leeftijd, herkomst en mogelijk ook inhoud van deze rariteiten pur sang.




wezenkastje





Wezenkastjes waren kastjes waar weesjongens vroeger hun persoonlijke bezittingen en gereedschap in bewaarden. Niet heel bijzonder. Meer bijzonder was een weeskist. Dat klinkt bijna het zelfde, maar was toch duidelijk iets anders. De weeskist bestond uit een met ijzer beslagen houten kist met vele genummerde laden met meer dan één slot, zodat er meerdere personen nodig waren om de kist te openen. In een dergelijke weeskist werden persoonlijke bezittingen van de overleden ouders zoals geld of persoonlijke erfstukken opgeborgen. De kist was zolang de wees minderjarig (of nog niet getrouwd) was in bewaring bij de weesmeesters van het weeshuis. Als het zover was mocht de wees zijn of haar deel op komen halen bij de weeskamer van de weesmeesters. Er werd dan een "Staat en bewijs van goederen" overlegd en het bewuste erfdeel werd overgedragen. Overleed de wees dan verviel de erfenis aan het weeshuis. Dat laatste was natuurlijk niet een erg goede motivatie om goed voor de wezen te zorgen. Wat dan ook niet altijd het geval was...

accupuntctuur

Acupunctuur is een traditioneel onderdeel in de Chinese geneeskunst waarvan iedereen weet dat er naalden bij gebruikt worden (acu = naald, en puncture= doorboren). De methode heeft een mythische oorsprong die terug gaat naar de regeerperiode van de legendarische gele keizer Huang di die als een van de oerkeizers regeert zou hebben van 2698 tot 2599 voor Christus.  De gele keizer liet meerdere werken na waaronder een van de oudste boekwerken over acupunctuur waarin het gebruik van stenen naalden, bamboe- en botsplinters wordt beschreven. Uit opgravingen zijn ook beeldjes bekend met lijnen die duiden op acupunctuur meridianen. Maar ik loop op de zaken vooruit.
Chinese geneeskunst gaat uit van een geheel eigen model dat de werkelijkheid beschrijft. Zo word er uitgegaan van levensenergie die circuleert door 14 kanalen (meridianen) die zich vertakken naar alle organen en lichaamsfuncties. Ten tweede wordt uitgegaan van het in evenwicht zijn van Ying en Yang de vrouwelijke en mannelijke kwaliteiten in de mens. Alles, dus ook het lichaam van de mens, is geordend naar vijf elementen: water, hout, vuur, aarde en metaal. Op basis van deze drie uitgangspunten verklaart de Chinese geneeskunde  de oorzaak van een ziekte en kan tevens een remedie bedacht worden om alles weer in evenwicht te brengen. Acupunctuur is hier een van de mogelijkheden voor en wordt veelal gebruikt in combinatie met andere methoden.

Traditionele acupunctuur bestaat uit het inbrengen van naalden in verschillende delen van het lichaam. Afhankelijk van de interpretatie worden er naalden gestoken bij de plaats van de ziektehaard of juist op plaatsen die corresponderen met de symptomen. Meestal wordt een combinatie van punten gebruikt.                                            De oudste publicatie waarin acupunctuurpunten en meridianen in Europa door een westerse arts werden bekend gemaakt dateert van 1683 en is geschreven door de Nederlandse scheepsarts Willem ten Rhijne (1649-1700). Hij beschrijft acupunctuur als een goed pijnloos alternatief voor het toentertijd gebruikelijke aderlaten en purgeren (wat natuurlijk niet echt een pretje was om te ondergaan). Ondanks zijn goede bedoelingen kreeg acupunctuur nooit vaste voet aan de grond in de westerse geneeskunde. Acupunctuur was afhankelijk van de tijdgeest populair of juist weer niet en dat zal altijd wel zo blijven. Als die kleine prikjes een mens kunnen helpen bij zijn of haar ziekte dan is dat mooi meegenomen. Het zou toch te gek voor woorden zijn als iets dat al zo lang zijn waarde heeft bewezen niet zou werken. Dat klinkt bijna als naalden op laag water zoeken. Of prikt de o zo geleerde wetenschap een van de oudste zeepbellen van de geneeskunde nog ooit stuk?




geld stinkt niet



Pecunia non olet of "geld stinkt niet" wisten de Oude Romeinen al te vertellen. Deze uitspraak wordt aan Keizer Vespasianus (9-79 na Christus) toegeschreven naar aanleiding van zijn nieuwe belasting op urine.

Urine werd gebruikt als ontvettend middel door leerlooiers. Urine bevat ammoniak, een stof die ondanks de nare geur wel heel goed schoonmaakt. Overal in Rome werden openbare urinoirs ingericht. Aan herbergen en op straathoeken stonden grote voorraadpotten waarin men vrijelijk kon plassen. Arme drommels konden een beetje geld maken door hun eigen urine te verkopen. Door de stijgende vraag ontstond al gauw een lucratief maar stinkend handeltje.


Het verhaal gaat dat Vespasianus" zoon Titus kritiek had geuit op het feit dat zijn vader een nieuwe belasting had ingevoerd op de openbare urinoirs. Daarop pakte de keizer het geheven belastinggeld, duwde het zijn zoon onder de neus en vroeg of het geld stonk. Nee, zei die. Toch komt het van de urinoirs, zei de keizer.



 

Related Posts with Thumbnails