Posts tonen met het label Anatomica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Anatomica. Alle posts tonen

zakjebakje





Stel het hebben van kleinkinderen nog even uit en koop nu de meest geavanceerde kuis- en veiligheidsgordel voor uw zoon; Het Zakjebakje 2.5.
Zakjebakje 2.5 is geheel gemaakt van het meest zuivere roodkoper en heeft een sensitief esthetische vormgeving. De Zakjebakje 2.5 is verkrijgbaar in meerdere maten (s, xs, xxs) en is uitgerust met knelbeveiliging. Uitplasvergiet en balzakventilatie-openingen zijn uiteraard geheel geïntegreerd zodat ze een geheel vormen met het unieke design van de Zakjebakje 2.5. Met de Zakjebakje 2.5 behoren impulsieve lustgevoelens gegarandeerd tot het verleden.....



Alastair Mackie





Ik kan er niets aan doen, schedels groot en klein roepen bij mij een bepaalde fascinatie op. De veelvormigheid van schedels vind ik bijzonder boeiend. Al die kleine gaatjes waar ooit spieren begonnen die voor beweging zorgden, de grote oogkassen, de rare lamellen in de neus (of de mooie snavel in het geval van een vogel), ik kan me er heerlijk over verwonderen. Maar waarom die kop? Nou, ik heb het geduld niet voor het totaal prepareren van een skelet (veel te priegelig, daar begin ik niet aan), maar die kop die stop je voor drie maandjes onder de zoden, even schoon boenen en dan heb je zo weer een mooi exemplaar voor in de kast er bij. Je zou kunnen zeggen dat ik een koppensneller ben.

Alastair Mackie deelt schijnbaar deze koppensnellers-mentaliteit samen met mij. Het aantal schedeltjes in een van zijn kunstwerken moet toch zeker wat tijd gekost hebben om te verzamelen. Zou deze kunstenaar uilenballen uitgepluist hebben, vallen gezet met kaas of is er wellicht een verklaring die veel meer voor de hand ligt? De ongediertebestrijder zal zijn wenkbrauwen wel gefronst hebben bij het verzoek om zo'n 200 dooie muizen... Bekijk meer van deze bijzondere kunstenaar op zijn website.(ik hoop dat ie snel weer werkt, de website was bij het posten van dit verhaal 'under construction')

Gouden Kokerjuffers






Ach wat is ze toch mooi. Niet de Kokerjuffer zelf (echt een schoonheid is het niet) maar het fantastische huis wat ze gebouwd heeft. Hubert Duprat is de bedenker van de levende kokerjuffersieraden. Hij zette de wetenschappelijke experimenten van François-Jules Pictet uit 1835, om in kunst. Pictet onderzocht in hoeverre Kokerjuffers andere materialen gebruiken dan de natuurlijk aanwezige materialen. Navolgers, zoals Jean-Henri Fabre, lieten de Kokerjuffers kokers van rijstkorrels en glazen kralen bouwen. In 1980 liet Hubert Duprat zich inspireren door goudzoekers bij de rivier de Ariège. Zouden er ook gouden Kokerjuffers leven in die rivier? Gouden Kokerjuffers, dat zou een mooi gezicht zijn.

Zo gedacht, zo gedaan. Exemplaren van de families Limnephilidae, Leptoceridae, Sericostomatidae en Odontoceridae werden gevangen en op zachthandige manier uit hun natuurlijke huisjes gezet. In hun nieuwe onderkomen vonden de Kokerjuffers nieuwe materialen, om te beginnen goudvlokken. Hiermee konden de sieraden in spe een nieuw bouwsel maken. Om dat te doen verbindt de larve de materialen met een zijden draad. Door een spiraalvormige beweging te maken creëert de larve zijn koker. Het materiaal wordt vastgezet en de binnenkant bekleed met zijde. Wel zo fijn voor het weke lijf wat de koker beschermt. Door ook kralen van turkoois, opaal, lapis lazuli en koraal, alsmede robijnen, saffieren, diamanten, parels en kleine staafjes goud aan te bieden, verfraaid de Kokerjuffer zijn koker op natuurlijke en magnifieke wijze. Dat een menselijke kunstenaar ze daarbij helpt en ietwat stuurt doet niets af aan het wondermooie zo niet schitterende resultaat.

De Kokerjuffer is zoals gezegd een larve. Ze leeft ongeveer een jaar onder water waarna ze zich verpopt. Na het verpoppen zwemt de vlinder naar de oppervlakte. De schietmot die verschijnt is een effen bruin of grijs gekleurde vlinder die zich voortplant en binnen enkele weken sterft. Het is een zomaar grijs einde voor een in kunde groot bouwmeester en mozaiekkunstenaar. Het bevestigd maar weer eens dat het niet alles goud is wat er blinkt.

spataderen





Soms ben je nieuwsgierig naar iets wat je later zomaar zou kunnen overkomen. Zo was ik vroeger gebiologeerd door de rare aderen op de benen van mijn oma. Het waren natuurlijk spataderen, maar wat het was, hoe het ontstond en of je er iets aan zou kunnen doen daar had ik natuurlijk toen nog geen idee over. Tijd voor een onderzoek dus.
Spataderen zijn in feite slappe aderen die door lekkende aderklepjes plaatselijk breder zijn geworden. Het zit namelijk zo. Bloed wordt door het hart rondgepomt, maar strtoomt natuulijk moeilijker omhoog dan omlaag. Om te voorkomen dat het bloed na een hartslag terug naar beneden stroomt, zijn de aderen om de tien centimeter van kleppen voorzien. Deze kleppen sluiten de ader na elke pompbeweging af. Sluit de klep niet goed door druk of uitlubbering dan lekt er bloed terug naar beneden, waardoor daar de druk weer toeneemt, met als gevolg een lekkende klep, en zo voort. Hierdoor ontstaan de kleine spataderen, ook wel takkenbosvenen genoemd, maar op termijn ook de dikke kronkelende knobbelige spataderen. 

Spataderen zijn niet mooi, maar ook nog eens ongezond omdat het bloed zijn afvalstoffen minder goed kan afvoeren. Daardoor kun van allerlei kwalen krijgen waar ik nog even niets van wil weten. Waarschijnlijk krijgen astronauten nooit spataderen. Zwaarte kracht is namelijk een grote boosdoener. Mannen wees blij, vrouwen hebben veel meer last van spataderen (een grap over de sterkte van het geslacht had hier goed gepast). Dikke mensen drukken zwaar op hun aderen en ouderdom komt met spataderen. Is er dan niets te doen aan deze uitspattingen?

Jawel. Zwemmen, joggen en wandelen helpt, net zoals niet te lang stil staan of zitten. Gevarieerd eten houd de aderen schijnbaar ook soepel. De voeten en benen van beneden naar boven af spoelen met koud water na het badderen schijnt ook goed te werken. Over steunkousen en gemakkelijke platte schoenen hoef ik nog even niet na te denken. Nou, goed te weten waar ik over tig jaar aan moet gaan denken (er van uitgaande dat ik onthoud dat ik dit stukje had geschreven)

rimpelvingers





Rimpelvingers en rimpelige tenen na het badderen of lekker lang zwemmen heeft iedereen wel eens. “De huid heeft zeker teveel water opgenomen” is lang de redenatie geweest, maar dit blijkt dus niet te kloppen. Dode mensen krijgen (vraag me niet hoe ze hier achter zijn gekomen) geen rimpelhanden. Iets minder luguber, ook lepra patiënten of mensen met een getransplanteerde vinger zijn vrij van rimpelverschijnselen. Nee, het is ons centrale zenuwstelsel dat er voor zorgt dat onze handen aan het rimpelen slaan. De zenuwen laten de bloedvaten in onze vingertoppen vernauwen zodat er rimpels ontstaan. Gemiddeld ontstaan die rimpellingen al na drieënhalve minuut. Met ouwe vrouwtjeshanden tot gevolg. Maar waarom? Meer grip op de natte ondergrond zou zomaar het goede antwoord kunnen zijn. Het blijkt namelijk zo te zijn dat je met rimpelige vingertoppen sneller bent in het grip krijgen op voorwerpen om ze te verplaatsen. Omdat het vlakke oppervlak van de vinger water niet snel afvoert ontstaan de rimpels vooral daar aan de zijkant van de vingers is het bijna nooit rimpelig (tenzij je natuurlijk echt oud vel hebt). De rimpels vormen een soort afvoerkanaaltjes waardoor water sneller afgevoerd kan worden. Het is dus duidelijk dat rimpels in natte omstandigheden voordeel opleveren. In droge omstandigheden geldt dat niet. Dat beantwoord voor mij meteen de vraag waarom we niet altijd met rimpels rondlopen. Samentrekken van huid (want dat is wat er feitelijk gebeurt als de bloedvaten zich vernauwen) kost energie en als het toch niet nuttig is kun je die energie beter aan iets nuttigs besteden. Zoals lekker slapen.

Het klinkt groen






Ooit van een letter-kleursynestheet gehoord? Nou ik niet (tot een tijdje terug). Een letter-kleursynestheet ziet of voelt kleuren bij letters. Heel maf. Maar het kan nog gekker. Er zijn ook synestheten die bij geuren kleuren zien of muziek kunnen proeven. Eigenlijk is het een onwillekeurige neurologische aandoening, waarbij de zintuigen met elkaar ‘mengen’, maar zolang het niet storend is kun je het ook een gave noemen. 

Onderzoekers kwamen er achter dat bij ongeveer twee tot vier procent van de bevolking het hersengebied dat het zicht verwerkt, de zogenaamde visuele cortex, overactief is. Er is gesuggereerd dat kleine kinderen bijna allemaal synestheet zijn. De gebieden in de hersenschors waar informatie van de zintuigen verwerkt wordt zijn bij pasgeborenen onderling verbonden, en dan ook nog eens met veel meer verbindingen dan een volwassen persoon normaliter heeft. Een paar maanden na de geboorte verdwijnen er verbindingen en komen de zintuigen meer op zich zelf te staan. Hierdoor verdwijnt de synesthesie verdwijnt. Slechts bij een enkeling behoudt de bijzondere gemixte waarneming en waarbij alle zintuiglijke indrukken op een grote hoop gegooid worden.Jammer voor de rest van de mensheid. zij moeten eerst zwaar aan de drugs voordat een witte pingpongbal in je hand ook naar een beetje naar mandarijntjes ruikt.

levensechte anatomische gezichtsreconstructie





Het is bizar hoe raar we soms tegen de wereld aankijken. Zo heb ik ooit gedacht dat alle mensenschedels hetzelfde waren, net zoals alle poezenschedels, kraaienschedels en vossenschedels. Maar dat klopt dus niet. Ieder schedel is uniek, want ieder individu is verschillend. Je moet echter goed weten waar je op moet letten om het aan een losse schedel te kunnen zien. Daarmee komen we op het vakgebied van de fysische antropologie. Bij dit vakgebied staat de mens in al zijn verschijningsvormen centraal. Een gedeelte van deze wetenschappelijke tak van sport maakt reconstructies op basis van schedels en ander botmateriaal. Heel interessante kost. Voor er daadwerkelijk een reconstructie plaats kan vinden is het belangrijk de leeftijd en het geslacht te bepalen. De leeftijd is voor een groot deel af te lezen aan het botweefsel van de fontanellen en de staat van (de botafbraak rond) het gebit. Met het geslacht is het net wat moeilijker. Uit vergelijkingen is gebleken dat schedels van mannen en vrouwen op meerdere punten verschillen. Zo hebben mannen gemiddeld gezien vaker een wat schuin verlopend voorhoofd en zijn wat robuuster gebouwd boven de neus en qua wenkbrauwen. Verder is de schedel bij de man vaak groter en zwaarder, bezit robuustere spieraanhechtingsplaatsen en maakt vaak een kantigere indruk dan de schedel van een vrouw. Uit heel veel vergelijkend onderzoek hebben wetenschappers in kaart gebracht wat voor huiddikte een bepaalde leeftijd en etnische groep gemiddeld heeft. Dit zegt natuurlijk nog niets over een individu, maar ook hier hebben de meester-vergelijkers iets op gevonden. De afwijkingen in botten en schedels geven minieme aanwijzingen over hoe iemand leefde. Een veelvraat krijgt daardoor bij een reconstructie meer gezichtsvet op de spieren dan iemand die duidelijk groeiproblemen had. En daarmee zijn we eigenlijk aangekomen bij het eerste wat aangebracht wordt bij een reconstructie; de spieren.

Alle dertig spieren uit een gezicht hebben twee aanhechtingsplaatsen en een vaste opbouw waarin ze in het gezicht voorkomen. Al deze spieren kunnen zich onafhankelijk van elkaar samentrekken. Aan de aanhechtingspunten (ruwere plekken) op de schedel kun je zien waar de gezichtsspieren waren aangehecht, hoe groot ze waren en hoe ze liepen. Degene die de reconstructie maakt moet daarom heel goed weten hoe een gezichtspier loopt en wat de dikte is om er daadwerkelijk iemand met een gezichtsuitdrukking van te maken. Hiertoe worden de spieren van binnen naar buiten weer terug aangebracht met boetseerklei. Doordat de aanhechtingsplaatsen van geen enkel schedel gelijk zijn ontstaat er iedere keer weer iets unieks. Naast de aanhechtingsplaatsen van de spieren wordt er ook gekeken naar de vorm van de oogkassen, de jukbeenderen en de kin. Het gebit kan informatie opleveren over de vorm van de lippen. De vorm van de neusholte levert vervolgens informatie over de lengte en breedte van de neus. Daar waar het verlengde van de neusbrug en het verlengde van het onderste uitsteeksel in de neusholte elkaar raken is het puntje van de neus. De breedte van de neus kan bepaald worden door ongeveer 3/5 van de lengte van de totale neuslengte te nemen. De neusgaten bepalen een belangrijk deel van de uitstraling van de neus, maar juist dat deel is niet goed te herleiden. Gokken dus. Het blijft sowieso een gok omdat de neus net zoals de oren uit zacht materiaal bestaan. Toch zijn bepaalde dingen meestal wel in verhouding, zoals het feit dat de oren meestal net zo groot zijn als de neus hoog.

Nu de spieren hun plek hebben kan er een huid overheen. Met houten pinnen op het schedel van een paar millimeter wordt de huiddikte aangeven. Deze is dun op het voorhoofd en wat dikker op de wangen, afgewerkt met wat echte huidstructuur. In dit stadium komt ook de verbeelding naar boven. Had de persoon in kwestie (lach)rimpels, littekens, een pukkel, een baard of alles in een? En welke kleur was het (gezichts)haar als daar niet iets over bekend is? Wat was de kleur van de ogen? Geen idee natuurlijk, maar toch ook wel. Uit gegevens hoe de persoon leefde kun je wel iets afleiden en de meeste mensen uit Afrika bijvoorbeeld hebben bruinzwart haar. Het (met de hand) aanbrengen van dat haar kan overigens wel ruim drie dagen duren. Maar ja, als je iets reconstrueert wat tienduizenden jaar oude botten weer een gezicht geeft, kunnen die drie dagen er ook nog wel vanaf. Zeg nou zelf, een onbehaarde Neanderthaler is toch geen gezicht?

Er zijn niet veel mensen die dit speciale, meesterlijke beroep uitoefenen. We kunnen in Nederland trots zijn dat we enkele mensen hebben die dit werk zó goed in de vingers hebben dat ze van over de hele wereld gevraagd worden voor hun levensechte (pre)historische reconstructies. Het werk van de gebroeders Kennis (en ja, ze hebben er zeer duidelijk verstand van) is te vinden over de hele wereld, maar ook op hun website: http://www.kenniskennis.com/site/Home/

Het gebruikte beeld bij dit verhaal is de ruwe versie van de reconstructie die de gebroeders Kennis maakten van Ötzi. Je kent 'm wel; Ötzi de ijsman.


uilen ogen






Een uil ziet van dichtbij niet erg scherp. Dat is niet zo erg omdat hij des temeer ziet op een afstandje. Anders dan bij zijn medevogels staan de ogen van de uil aan de voorkant van zijn kop. Daardoor kan de uil goed diepte zien en inschatten wat de afstand naar de prooi is. Met ogen werkt het zo dat er pas diepte te zien is als er met twee ogen tegelijk naar iets gekeken wordt. Omdat de ogen van een uil erg groot zijn heeft de uil geen ruimte over in zijn schedel voor oogspieren. Daarom kunnen de ogen van de uil niet bewegen. Hij kijkt altijd star recht vooruit. Om toch de wereld kunnen bekijken heeft de uil een super soepele nek. De wervels in de nek laten de kop ronddraaien, ondersteboven en achterstevoren keren. De uil kan zijn kop ongeveer 180° draaien.
Uilen hebben veel minder licht nodig om goed te kunnen zien, dat komt omdat ze een reflecterende laag achter hun netvlies hebben. Als er dan licht op het gevoelige netvlies van de uil komt stuurt de reflecterende laag het licht terug en daardoor kan hij dan in de nacht vele malen beter zien. Door het reflecteren geven de ogen van een uil een beetje licht. Niet alle uilen hebben dezelfde ogen. Er zijn er met zwartbruine, oranje en gele iris. Er is in het verleden gesuggereerd dat Hoe donkerder het oog hoe later de uil zou jagen. Dit blijkt in de praktijk toch niet helemaal te kloppen. De ogen van een uil worden beschermd door een derde ooglid , het knipvlies. Als hij dit knipvlies dicht doet schuift het vlies horizontaal over het oog en worden stofdeeltjes en vuil van het oog verwijderd. Ook bevochtigd het derde ooglid het oog tijdens de vlucht. Om het oog overdag tegen het felle zonlicht te kunnen beschermen is het knipvlies ook een beetje troebel zodat het licht gefilterd wordt. Zo kan de uil rustig een uiltje knappen.


werveling





Een mens heeft in zijn wervelkolom maar liefst 24 wervels om een beetje soepel te kunnen voort te kunnen. Er zijn drie soorten wervels. We hebben zeven halswervels, twaalf borstwervels (waar ook de ribben en het borstbeen aan vast zitten) en vijf lendenwervels. Daarnaast is er aan het uiteinde van de wervelkolom ook samengeklonterd door-geëvolueerd wervelmateriaal; een heilig been en een staartbeen. Het uiterste puntje daarvan wordt ook wel je stuitje genoemd en kan een erg pijnlijke plek zijn.



Maar even terug naar de functionele wervels. De wervels zijn stuk voor stuk uniek van vorm. Zonder zenuwen, tussenwervelschijven als schokdempers, banden en spieren die alles op z’n plek houden lijken ze bizar gevormd met die uitsteeksels aan de zijkant en een gat in het midden. Als verbonden geheel klopt het. Korte banden verbinden de wervels onderling, lange lopen langs de hele kolom. De spieren maken alle krommingen van je rug mogelijk of dat nu een verticale, horizontale of diagonale bewegingen zijn. O ja, de wervelkolom beschermt ook nog de hoofdbaan van je zenuwen naar je brein. Kortom het is een ongelofelijk samenspel waar je zuinig op mag zijn.

Crêpepapieren vogels






Heeft u een verfijnd gevoel voor decoratie, een vaste hand, veel geduld en ook veel vrije tijd? Maak dan nu uw eigen vogel van Crêpepapier! Aimee Baldwin ging u voor.


Het lijf
Maak van piepschuim een vorm die overeenkomt met de groote en het postuur van de vogel die je wil gaan maken (inclusief nek en kop). Dit kun je met een scherp mesje doen, maar een gloeidraadje werkt ook. Een heel precieze gladde vorm is natuurlijk beter dan een ruwe, maar veel is nog te maskeren door de dubbelzijdige tape die strak om het lijfje wordt geplakt.

Pootjes
Voor de pootjes (of klauwen als je een roofvogel maakt) gebruik je verschillende diktes draad om de basis vorm van de poot te maken. Maak ze net iets langer zodat je de poten straks met een stukje in het lijf kan steken. De poten kun je daarna bekleden met crêpepapier. Als het dikke poten zijn kun je meer lagen aanbrengen of een soort van Fimo-klei gebruiken als opvulling. De nageltjes kun je hier ook van maken. Schilderen, buigen, klaar.


Verenpak
Knip, knip, Knip. Plak plak Plak. Van kop naar kont en van het midden steeds iets versprongen naar buiten. Een vogel heeft vele veren, maar voor een mooi resultaat hoef je ze gelukkig niet allemaal te knippen. Wederom gebruiken we crêpepapier. Het is erg lastig om crêpepapier in de goede kleurscharkeringen te krijgen, dus schilderen is het advies. Daar zit ’m meteen de botteleneck; crêpepapier is bijna niet fatsoenlijk te schilderen zonder een slappe, natte brij over te houden. Een delicaat proces dus. Advies is te zoeken naar verschillende kleuren crêpepapier of anders met airbrush of een streek acrylverf de zaak op kleur brengen.

Kop en snavel
Meerdere delen van een vogel, zoals de snavel zijn onbevederd en moet je dus nog los op het lijf aanbrengen. Hiervoor kun je fimo-klei gebruiken. Maak van de kop een goede studie, want als de kop niet klopt zingt het vogeltje niet zoals het gebekt is. de ogen kun je verwerken of later er in plaatsen. Glas geeft het mooiste resultaat en omdat je er toch al zoveel tijd aan kwijt bent om te maken lijkt het me dus een goede keus voor een glazen oogje te kiezen, tenzij de vogel slapend op een tak moet komen te zitten.

Biotoop
Een vogel in volle vlucht kan mooi zijn, maar de meeste tijd zit een vogel op een tak of paal. Kies maar wat je zelf mooi vindt. Een stolp kan je werkstuk behoeden voor vroegtijdige verstoffing of een aanval van hongerige insecten.


Geen tijd? Geen nood  Aimee Baldwin verkoopt ook vogels voor prijzen waar zelfs de mussen van hun stokje van gaan.

Lissa Nilsson; menselijke doorsnedes in papierkunst


Ik keek eens een fantasierijke film, waarin een levend paard nogal abrupt in dunne plakjes wordt gesplitst om vervolgens tussen glasplaten gewoon functionerend en al door de geschrokken hoofdrolspeler bezichtigd te worden (kijk hier maar eens). Ik moest weer denken aan dat bizarre stukje film toen ik de kunst van Lissa Nilsson tegen het lijf liep. Het verschil met de film is is dat dit plakje mensenhoofd niet leeft en ook geen vleselijk materiaal bevat. Het is namelijk een kunstwerk geheel opgetrokken uit opgerold papier. De verschillende dichtheden en kleuren geven de structuur van de weefsels en hardere delen goed weer en dat met enkel papier. Een heel knap staaltje vakvrouwschap.


oerglansrijk



Nooit geweten, maar er zijn ook gekleurde fossielen. Dan bedoel ik werkelijk kleurig van zichzelf en niet vanwege het materiaal wat de plek van het oorspronkelijke wezen heeft ingenomen, zoals bijvoorbeeld met opaal of pyriet wel het geval is. Het bijzondere van de kleurrijke insectenfosielen, (want daar heb ik het over) is het feit dat de structuur waar deze insecten hun kleur aan te danken hebben bewaard is gebleven. Eerder legde ik al uit dat de structuur van bijvoorbeeld vlindervleugels bepalend is voor de kleuren die ze reflecteren. Dat kunststukje blijkt dus al heel oud. De kevers waar het om gaat zijn meer dan 20 milioen jaar oud en het enige dat veranderd is is dat de structuur een beetje gedeukt is. Daardoor kleuren deze oudjes net wat roder dan ze waarschijnlijk ooit geweest zijn. Ik vind het een gezonde blos voor zo'n oude beestjes. Zo komen fossielen in een wat minder bruin-grijs daglicht te staan.

gesneden hoorn





Toen ik begon met het schrijven van dit verhaal was ik in de veronderstelling dat hoorn, gewei en ivoor een en het zelfde materiaal betrof. Mooi niet dus. Hoorn en gewei is nooit ivoor, want ivoor komt enkel uit (slag)tanden voort. Behalve de narwal dan dacht ik, want die heeft een hoorn van ivoor. Weer mis. De "hoorn" van een Narwal is wél van ivoor want het is een ver uitgegroeide slagtand (meestal de linkse), geen hoorn dus. Hoorns van ivoor komen enkel in de mythologie voor. Bij eenhoorns.
Ivoor bestaat uit dentine, ofwel tandbeen. Hoorn bestaat uit keratine. Uit dat materiaal is de hoorn van de neushoorn opgebouwd, maar ook je nagels. Dus hou op met neushoorns afslachten en ga nagels bijten. Gewei ligt in dezelfde lijn als ivoor en hoorn, maar bestaat voornamelijk uit collageen, iets wat in de plastische chirurgie weer veel gebruikt wordt om slap vel mee op te vullen.

Genoeg over de verschillen. De overeenkomsten zijn evident. Van mamoetjager tot walvisvaarder en van eskimo tot afrikaan, allen wisten ze de bijzondere eigenschappen van de materialen te benutten om de meest fantastische kunststukjes van te snijden. Van ivoor tot gewei werden drinkbekers, beeldjes, hoorns om op te blazen, fluitjes, biljartballen en nog vele andere voorwerpen gemaakt. Het is vakmanschap ten top. Het mooist vind ik de gebruiksvoorwerpen met een ingekerfde tekening. Van een ongelooflijke schoonheid. Bijkomend voordeel is dat het materiaal zeer duurzaam is. Tenzij een knaagdier haar mineralenvooraad met je kunstwerk aanvult door het op te peuzelen natuurlijk....

zwangerschap

In de oudheid werden er ook kinderen geboren. Gelukkig maar. Dat bevallingen niet altijd lopen zoals gepland was ook toen bekend. In de 2e eeuw na Christus was er een Griekse arts die zich intensief bezig hield met het bevallingsproces. Zijn naam was Soranus van Ephesus en hij was tot 1526 de enige die zich echt serieus bezig hield met het onderwerp bevallen. Soranus van Ephesus beschreef in zijn boek 'Gynaecia' wat te doen bij bevallen. Hij bundelde daarmee alle toenmalige kennis van de gynaecologie, de verloskunde en de kindergeneeskunde in de Grieks-Romeinse wereld. Het gaat een beetje ver om alle onderwerpen van de 'Gynaecia' te bespreken, maar enkele zijn wel interessant om te noemen. Zo geeft Soranus tips voor het aannemen van een andere positie of het keren van het dwarsliggende kind. Daarnaast besteedde hij als eerste aandacht aan het toetsen van de gezondheid van het pas geboren kind, zoals het laten schreeuwen door het op de grond te leggen en nagaan of de moeder tijdens de zwangerschap wel gezond was geweest. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit (in 1952 kwam er pas een vergelijkbare toets: de APGAR-score). Als een kind niet positief uit de toets kwam was het kind volgens Soranus niet de moeite waard om opgevoed te worden. Dat klinkt hard, maar de mogelijkheden om zwakkeren in leven te houden waren toen nog erg beperkt. Hoe dat “niet opvoeden” gebeuren moest wist overigens zelfs Soranus niet. 

pollenbestuiving





Omdat ik niet het zoveelste stukje wilde schrijven over stuifmeelallergie beperk ik me maar eens tot het stuifmeel zelf en dan in het bijzonder de vorm en structuur van de stuifmeelkorrel, ook wel pollen genoemd als ze met meerdere zijn. Het is een bijzondere wereld. Pollenkorrel zijn niets anders dan het plantaardige eenmansvehikel van een mannelijk zaadcelletje dat door de lucht reist om in het beste geval uiteindelijk bij het juiste vrouwelijke vruchtbeginsel terecht te komen. E en mannelijke pollenkorrel van een appel kan nooit een peer bevruchten. Daar heeft de natuur wel voor gezorgd. Hier komen grootte, vorm, structuur, maar ook het aantal kiemspleten en kiemporen om de hoek kijken.

De grootste pollenkorrels zijn bijna 0,1mm groot, de kleinste zijn ongeveer 0,01mm. De vorm van de pollenkorrels is meestal rond tot ovaal of eivormig, maar er komen ook platte pollenkorrels voor en stuifmeelkorrels met luchtzakken (voor een betere verspreiding). Je hebt pollenkorrels die zich in droge staat inklappen om zo beter beschermd te zijn. Het maakt voor de vorm dus uit of je ze droog of vochtig bekijkt onder de microscoop.


Het oppervlak van een stuifmeelkorrel van een wind bestuivende plant is veelal glad of korrelachtig. Toch zijn er ook onder de windbestuivers meer exotische vormen met puntvormige tot streep- of ribbelachtige structuurtjes of netvormige verdikkingen. De structuur van de pollenwand van een plant die gebruik maakt van insecten bij de bestuiving zijn vele malen complexer van opbouw. Het zijn ware kunststukjes met ribbels, wallen, grote en kleine uitsteeksels en holtes die als een net uitgestrooid zijn over het oppervlak.

Dan de twee meest bizarre en niet uit te leggen onderdelen die van belang zijn bij de koppeling van het juiste mannelijke zaadbeginsel met het juiste vrouwelijke zaadbeginsel: De kiemspleten en de kiemporen. Beide hebben ook iets te maken met de structuur van de stuifmeelkorrels. Ik ga er voor het gemak maar van uit dat ze essentieel zijn voor een juiste koppeling om een vruchtbare versmelting mogelijk te maken. Ze kunnen verdiept liggen of juist net iets uitsteken. Ook is er de mogelijkheid dat ze afgedekt zijn met een dekseltje. Ook is belangrijk of ze een uitstekende rand, de zogenaamde annulus, hebben. Heel cryptisch dus wat het precies is… Maar wat maakt dat eigenlijk uit? Wat blijft is de verwondering over de veelvormige mysterieuze inventiviteit die planten zich getroosten om zich voort te kunnen planten.


De kennis die in dit stukje is samengevat was niet op papier gekomen zonder de bijdrage van de zeer goede beschrijving op de website van de Radboud Universiteit van Nijmegen. Bedankt daarvoor!

Joseph Towne



Als was was was, was was was. Joseph Towne (1808-1879) was een beroemd wasmodeleerder. Als 17-jarige jongen maakte hij al zijn eerste wasmodel van het menselijke skelet. Hij liet het zien aan sir Astley Cooper (een grote naam in die tijd) en kreeg direct een aanstelling. Bijzonder genoeg was hij geheel autodidact, hij leerde de technieken allemaal zichzelf aan. In de jaren daarna leverde Towne het ene na het andere gedetaileerde wasmodel van hoge kwaliteit af. Hij leerde zelf anatomische studies uit te voeren en kreeg zo een nog beter inzicht in de menselijke anatomie. Zijn uitvoeringen van een serie dissecties van hersenen is dusdanig perfect dat zelfs doorgesneden aderen,spieren en vliezen te zien zijn. Hij kreeg erg veel lof voor zijn realistische modellen, met aderen als fijne webben en spieren die enkel nog in actie moeten komen om echt te leven. Hij hield het niet enkel bij "standaard"-annatomie en maakte briljante series met de meest angstaanjagende ziektebeelden. Wat bijzonder was, was dat alles wat hij afleverde (en dat waren nogal wat modellen) van hoge kwaliteit was. Hij werd er dus terecht beroemd door.





Maar hoe ging hij te werk? Er is eigenlijk niemand die het precies te weten is gekomen. Joseph Towne werkte in de kelder van het instituut en liet niemand zomaar toe op zijn werkplek. Er wordt verteld dat hij wax in het sleutelgat van zijn werkplaats stopte zodat niemand zijn kleurtechniek kon stelen. De zwijgzame Towne vertelde het in ieder geval aan niemand en nam het geheim van zijn techniek mee in zijn graf. Het procedé blijft dus een mysterie en het resultaat is nog steeds ongeevenaard.


de middelvinger van Galileo

Wie nu ook als eerste was, Hans Lipperhey, Zacharias Jansen  en Jacob Metius zijn de eerste verrekijker-makers van  Nederland (en wellicht ook wel europa) geweest. Hun kennis werd later door Galileo Galilei gebruikt voor het maken van de eerste echte telescoop.
Dat Galileo Galilei de telescoop maakte vond iedereen prachtig. Totdat de wetenschapper met diezelfde telescoop ontdekkingen deed die niet in het straatje paste van de paus. Hij ontdekte namelijk dat de aarde om de zon draaide en daarom niet het middelpunt van het heelal kon zijn. Het vaticaan vond alles best zolang Galileo zich maar ver hield van deze stelling. Hij kreeg van de paus en de inquisitie toestemming om een boek te schrijven over zijn bevindingen. De wetenschapper worstelde met de baanbrekende boodschap en goot zijn boek uiteindelijk in de vorm van een dialoog tussen drie mannen. De mannen hebben een dialoog over de materie van de planeten en de zon. De man die de kerkelijke visie er op na houdt heet in de dialogen Simplicus. De paus legde deze naam nogal verkeerd uit. Het leek wel alsof Galileo Galilei bedoelde dat iedereen die niet dacht dat de aarde om de zon draaide maar simpele zielen of dwazen waren en dat hij, de paus, een van hen was. Dat kon Urbanus VIII  natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. Hij nam dan ook zijn maatregelen. Galileo kreeg in 1633 levenslange huisarrest. Uiteindelijk stierf hij negen jaar na zijn veroordeling.


Maar wat heeft die vinger er nu mee te maken?
Galileo Galilei werd in 1642 in de Basilica di Santa Croce begraven. Hij kreeg echter niet een mooi plekje, maar moest genoegen nemen met "een kleine kamer naast de novicenkapel aan het eind van een gang van het zuidelijke transept van de basilica naar de sacristie" (zoals Wikipedia het zo duidelijk omschrijft). In 1737 werd het lichaam van Galilei echter weer opgegraven. Er was in de kerk een mooie plek gemaakt waar Galileo Galilei herbegraven zou worden. Dat gebeurde ook, maar voordat het zover was werd eerst een kijkje genomen in de kist. Het bleek dat de "kleine kamer naast de novicenkapel aan het eind van een gang van het zuidelijke transept van de basilica naar de sacristie" een nogal droge begraafplek was geweest. Galilei's lijk was namelijk helemaal verdroogd en dus niet vergaan. De verhalen vertellen dat het lijk een dito medio all'insù (opgestoken middelvinger) liet zien aan de rechterhand. Ongehoord natuurlijk. Wat ook ongehoord was, was dat er na opening van de kist er van Galileo het een en ander verdween. Zo ontbrak bij de herbegraving de bewuste middelvinger, enkele wervels, nog twee vingers en een stel tanden. Later zou blijken dat de geroofde lichaamsdelen als relekwiën bewaard werden door de families van de lijkenpikkers. Het waren dus duidelijk fans. Voor Galileo Galilei  maakte het allemaal niet meer uit. Hij kreeg uiteindelijk gelijk en maakte met zijn middelvinger een groot statement richting diegene die hem niet wilde geloven.


rariteitenkabinetten


Kunstkamers, rariteitenkabinetten, verzamelingen van de bijzondere buitenwereld in het klein. De gegoede burgers van de 16e, 17e en 18e eeuw schiepen met hun verzamelingen orde in het buitenissige wat de wereld te bieden had. In deze verzamelingen, die in latere tijden herschikt en opgesplitst zouden worden naar de aard van de voorwerpen, was nog geen onderscheid of scheiding tussen curiosa, devotionalia, naturalia en artificialia. Nieuwsgierigheid en verwondering voerden de boventoon, waarbij het kennisaspect enkel statusverhogend werkte.

De onderwerpen waren legio. Zo was het gebruikelijk om in ieder geval van de drie rijken der natuur een of meerdere voorwerpen te hebben. Rijk één was wat we nu geografie zouden noemen. Dit onderdeel van de verzameling bestond uit stenen met bijzondere herkomst, mineralen en fossielen. Rijk twee noemen we nu botanie en omvat alles wat met planten, oftewel flora, te maken heeft. Naast gedroogde (exotische) planten en stukken koraal werden er ook levende plantenverzamelingen aangelegd. Daarmee waren de Hortussen geboren. Verzamelingen met enkel bomen werden arboreta genoemd. Het derde rijk omvatte het gehele dierenrijk. Er was nog geen echte systematiek, dus een narwalhoorn kon gewoon gebroederlijk naast een opgezette stekelvis hangen in een verzameling. Naast gedroogde of opgezette dieren en skeletten bevatte het dierendeel van een rariteitenkabinet ook vaak fauna op sterk water in potten met opschrift. Een mythisch wezen kon zomaar in een van de potten z’n onderkomen hebben. De verzamelaars die het echt groots aanpakten verzamelden ook levende dieren, wat later uitmondde in de alom bekende dierentuinen.

En dat was dan nog enkel het onderdeeltje natuur. Onder het onderdeel artificialia viel alles wat met mensen te maken had, schilderkunst, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen van vaak exotische volkeren, historische boeken, prenten, beeldhouwwerk, sieraden, vuurwapens, devotionalia en nog een hele (niet nader te noemen) waslijst. Er zaten natuurlijk ook dingen tussen die we tegenwoordig curiosa zouden noemen. Feit is wel dat ook de artificialia later uiteen werden gehaald. De kunst in een apart museum, bijzondere volken naar het volkenkundig museum en historie naar de bibliotheek of in een oudheidkundig museum naar onderwerp. Alles netjes in een hokje.

Allesomvattende verzamelingen waren ook onderhevig aan de mode. Vanaf de 18e eeuw was het ordenen naar de laatste wetenschappelijke inzichten de mode. Specialisatie was het toverwoord. Alles wat niet paste binnen de verzameling werd verkocht aan anderen. De goed gefinancierde verzamelingen kregen uiteindelijk eigen musea. Verzamelen van het mooiste, bijzonderste en meest exclusief exotische was geen goedkope hobby. De gedreven verzamelaars verzamelde soms meer rariteiten dan hun fortuin aan kon. En hun nazaten zaten er dan mee. Veel van de meest bizarre verzamelingen, die zeker niet in een hokje te plaatsen vielen, vielen daarom dan ook uiteen door erfeniskwesties, financieel wanbeheer en onkunde.

accupuntctuur

Acupunctuur is een traditioneel onderdeel in de Chinese geneeskunst waarvan iedereen weet dat er naalden bij gebruikt worden (acu = naald, en puncture= doorboren). De methode heeft een mythische oorsprong die terug gaat naar de regeerperiode van de legendarische gele keizer Huang di die als een van de oerkeizers regeert zou hebben van 2698 tot 2599 voor Christus.  De gele keizer liet meerdere werken na waaronder een van de oudste boekwerken over acupunctuur waarin het gebruik van stenen naalden, bamboe- en botsplinters wordt beschreven. Uit opgravingen zijn ook beeldjes bekend met lijnen die duiden op acupunctuur meridianen. Maar ik loop op de zaken vooruit.
Chinese geneeskunst gaat uit van een geheel eigen model dat de werkelijkheid beschrijft. Zo word er uitgegaan van levensenergie die circuleert door 14 kanalen (meridianen) die zich vertakken naar alle organen en lichaamsfuncties. Ten tweede wordt uitgegaan van het in evenwicht zijn van Ying en Yang de vrouwelijke en mannelijke kwaliteiten in de mens. Alles, dus ook het lichaam van de mens, is geordend naar vijf elementen: water, hout, vuur, aarde en metaal. Op basis van deze drie uitgangspunten verklaart de Chinese geneeskunde  de oorzaak van een ziekte en kan tevens een remedie bedacht worden om alles weer in evenwicht te brengen. Acupunctuur is hier een van de mogelijkheden voor en wordt veelal gebruikt in combinatie met andere methoden.

Traditionele acupunctuur bestaat uit het inbrengen van naalden in verschillende delen van het lichaam. Afhankelijk van de interpretatie worden er naalden gestoken bij de plaats van de ziektehaard of juist op plaatsen die corresponderen met de symptomen. Meestal wordt een combinatie van punten gebruikt.                                            De oudste publicatie waarin acupunctuurpunten en meridianen in Europa door een westerse arts werden bekend gemaakt dateert van 1683 en is geschreven door de Nederlandse scheepsarts Willem ten Rhijne (1649-1700). Hij beschrijft acupunctuur als een goed pijnloos alternatief voor het toentertijd gebruikelijke aderlaten en purgeren (wat natuurlijk niet echt een pretje was om te ondergaan). Ondanks zijn goede bedoelingen kreeg acupunctuur nooit vaste voet aan de grond in de westerse geneeskunde. Acupunctuur was afhankelijk van de tijdgeest populair of juist weer niet en dat zal altijd wel zo blijven. Als die kleine prikjes een mens kunnen helpen bij zijn of haar ziekte dan is dat mooi meegenomen. Het zou toch te gek voor woorden zijn als iets dat al zo lang zijn waarde heeft bewezen niet zou werken. Dat klinkt bijna als naalden op laag water zoeken. Of prikt de o zo geleerde wetenschap een van de oudste zeepbellen van de geneeskunde nog ooit stuk?




voetschimmel




Schimmels groeien op de meest vreemde plaatsen. Als er wat warmte, vocht en voeding aanwezig zijn pakken ze hun kans. Zo ontstaat ook voetschimmel. De schimmels komen bij mensen voor (kalknagels) maar ook bijvoorbeeld bij paarden. Paarden in een modderige weide met hoeven waarvan het onderhoud achterstallig is hebben er over het algemeen meer last van dan paarden met netjes verzorgde hoeven in een droge stal. Toch kan ook zo'n paard de schimmelinfectie oplopen als bij het bekappen met besmet materiaal wordt gewerkt. De schimmels komen in drie geslachten voor en vormen samen de dermatofyten, wat vrij vertaald huidplanten betekent. De schimmel dringt door via scheurtjes, oude nagelgaten en brokkelige hoeven. De schimmel leeft als een parasiet op de hoef waardoor deze steeds een beetje verder verzwakt en uiteindelijk wit uitslaat. Daardoor kan er eerder letsel optreden en haalt het paard dus niet bepaald een wit voetje.






Related Posts with Thumbnails