Posts tonen met het label vakmanschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakmanschap. Alle posts tonen

kimono






Zwarte Noga





Wat de geschiedenis van zwarte noga precies is, geen idee (en de Fransen zelf zijn er ook niet echt uit) , maar wat ik wel weet is dat als je deze Zuid-Franse noga eens geproefd hebt alle anderen een beetje tegen vallen. Zwarte noga is niet wit (zoals het spul elders) en wordt gemaakt van ongepelde Provence amandelen, lokale lavendelhoning en een beetje sinaasappelschil uit eigen boomgaard. Zelf proefde ik deze noga in het plaatsje Saint Didier in Zuid-Frankrijk. Ik ben overtuigd; het is echt de lekkerste noga van de wereld!

Voor de zelf-makers volgt hier (bij benadering) het recept:


500 g lavendelhoning
500 g amandelen met vlies
50 g  druivensuiker
50 g water
klein beetje rasp van een sinaasappelschil

Amandelen licht roosteren. Sinaasappelschil raspen en bij de nog warme amandelen doen (dit is maar een vleugje van de smaak, dus niet te veel toevoegen).  Amandelen in de warme pan laten zodat ze niet te hard afkoelen (da's namelijk niet handig bij het door elkaar roeren).
Water en druivensuiker in een pan oplossen en laten inkoken tot er een dikke stroop ontstaat (glucose-stroop). 50 gram van deze stroop samen met de lavendelhoning verhitten totdat het mengsel (donker)bruin kleurt. Alle warme ingrediënten door elkaar roeren en op bakpapier uitstorten tot een laag van ongeveer 1,5 cm dik.

Na afkoelen niet direct helemaal opeten, want dat schijnt toch een beetje ongezond te zijn.

Huid looien





Al zolang mensen dieren vangen om op te eten heeft die zelfde mens manieren verzonnen om het zachte, warme vel van zijn prooi zo te bewerken dat het bleef zoals het om het dier zat. Als je de huid van een beest wilt looien kun je meerdere manieren gebruiken.  Zo is er een bewerkingswijze met  mest, maar ja dat is niet echt een prettige. Daarom bij deze een beproefde methode om met niet te vervelend bijtende stoffen een huid te looien. Maar ja, de huid zit natuurlijk nog om het dier heen. Als eerste halen we dus de huid van het dier. Dit doe je door met een scherp mes een ondiepe snede op de buik te maken met twee dwarssneden bij voor- en achterpoten. Als je te diep snijd prik je de darmen lek en dat is uiteraard niet de bedoeling. Vervolgens snij je voorzichtig de huid los van het onderliggend vlies en vlees.
De huid wordt nu eerst schoongewassen en vuil en bloed wordt uit de vacht verwijderd. Om dit echt grondig te doen wordt de huid 24 uur geweekt in een 1:25 oplossing water (liters) met keukenzout (gram).*
Na het zoutbadje spoel je de huid goed uit met water. Je kunt nu met een bot mes vet, vlees en vooral bindweefselresten er goed afkrabben. Als je dit niet voldoende doet kunnen de looistoffen straks niet goed doordringen in de huid, dus neem er de tijd voor.
De schone huid kan nu in het looibad.  Je neemt daarbij zo veel heet water dat je aluin, mierenzuur en zout goed oplost. De verhouding van water: aluin:zout: zuur is 1:50:50:25. Het zuur is qua grammen dus altijd de helft van wat je aan aluin en zout toevoegt.
Een beest ter grootte van een konijn kan gelooid worden met 250 gram zout en evenveel aluin, een haas met een hoeveelheid van 500+500 gram, een vos 750+750 gram en een hert met ongeveer 1 kg zout en 1 kg aluin. De huid gaat 4 dagen in de oplossing** en moet je iedere dag een keer doorroeren zodat de looistof overal goed bij kan komen. Na de vierdaagse looimarathon kan de huid eruit en spoel je ‘m goed af. Laat de huid nu drogen in de wind tot deze nog net vochtig is.
Nu komt het opspannen.  Hiervoor gebruik je een raamwerk of een stuk hout met spijkers. De huid wordt zo opspannen dat de wind tussen de huid en de plank door kan, dus niet te korte spijkers nemen. In ‘t midden langs de rand beginnen en steeds ‘de overkant’ ook vastzetten. Mag best goed uitgerekt worden. Het drogen dient zo langzaam mogelijk geschieden. Bij voorkeur droog je ‘m in een redelijk koele ruimte. De looistoffen moeten namelijk in de huid kunnen opdrogen. Dit bevordert de houdbaarheid. De periode van droging duurt 1 á 2 weken. Is de huid door en door droog, dan wordt de gladde binnenzijde voorzichtig opgeruwd met schuurpapier (of puimsteen), eerst een grove korrel en daarna een fijne korrel. Zo worden achtergebleven vliezen verwijderd. Is de leerkant grondig geschuurd, dan snijdt men met een scherp mes de ruwe randen er af. Om het vel zacht te maken rolt men het op, stopt het 24 uur in de diepvries en trekt het dan heen en weer over de rand van een stoel of een tafel. Netjes uitborstelen en dan zit het werk er op! Je kunt nu lekker op je vel gaan zitten.

* er zijn recepten waarbij in dit stadium het zuur al wordt toegevoegd ipv bij het eigenlijke looiproces.

** er zijn recepten waarbij de aluin pas na twee dagen wordt toegevoegd, waarbij het ook op de huid word gewreven. Als je er voor kiest het zuur in een eerder stadium al toe te voegen lijkt het me niet nuttig om 48 uur te wachten.

De messen van Antoine Van Loocke






Antoine van Loocke (voorheen tuinman en beeldhouwer) is een autodidactisch messenmaker van groots formaat. Jaren geleden begon hij met het maken van zijn unieke messen. Eerst in de houtstoof van zijn keuken en later in een krap bemeten werkplaats waar hij met de materialen stoeide en prutste tot hij een mes kon maken. Voor de lemmetten van zijn messen gebruikt hij geen nieuw staal, maar de roestige restanten van afgedankte patattenschellers die hij een nieuw leven geeft. Voor de handvatten van zijn messen gebruikt hij een veelheid aan materialen die ieder exemplaar uniek maakt. Antoine smeed zijn messen op een meesterlijke en ambachtelijke wijze waarbij de schoonheid ‘m zit in de soberheid en ongecompliceerde verfijning van zijn werk. Je zal je aardappels er niet beter mee kunnen schillen, maar met een mes van deze kunstenaar wordt het in ieder geval een prettige bezigheid.

Gemarmerd papier





Vrolijk wordt ik er van; je opent een boek en in plaats van een duf effen schutblad verschijnt er een bontgekleurd gemarmerd schutblad. Het geeft een boek de opening die het (hopelijk) verdiend en mocht dat niet zo zijn dan kun je alsnog plezier beleven aan het bijzondere universum dat het gemarmerde papier in zich heeft. Nu ben ik niet zo'n knutselfrutselaar, maar toch was ik erg benieuwd naar de wijze waarop gemarmerd papier tot stand komt. De basis is simpel; men neme een grote bak, doen daar een vloeistof in en druppelen vervolgens een drijvende kleurstof op de vloeistof. Roeren of lijntjes trekken geeft een wilder effect, net zoals het gebruik van meerdere kleuren. Het te marmeren object wordt vervolgens op de laag gelegd. Dit kan papier zijn, maar ook bijvoorbeeld textiel of zelfs hout. Er is een Deense ontwerpster, Pernille Snedker Hansen, die de marmertechniek gebruikt voor complete vloeren. Dat geeft het hele idee van marmeren weer een totaal andere invalshoek. Een marmeren vloer kan er in ieder geval niet tegenop!



Wil je zelf aan de slag? Zoek dan eens op de technieken Ebru of Suminagashi. Er zijn heel wat creatieve manieren om papier te marmeren.

Daniel Agdag






Kunst onder een stolp ziet er natuurlijk al snel uit als iets speciaals, maar bij de kunst van Daniel Agdag is er toch net iets meer aan de hand. De droommachines die helemaal uit karton zijn gemaakt zijn zo verfijnd uitgewerkt dat ze zonder de stolp er zo vandoor zouden zijn gegaan. Dank aan Daniel Agdag dat hij deze bijzondere droommachines voor ons heeft weten te vangen.




Bekijk meer van Daniel Agdag.

presse-papier





Het zijn Hemels glazen bollen om de post onder te leggen; Presse-papiers. Echt een bijzonder verhaal is er niet aan te ontdekken, maar wat zijn ze mooi. Ik verwonder me vooral over de heldere kleuren die gevangen in het glas rond lijken te tollen, de luchtbellen met zich meeslepend. Fantastisch zulke gestolde actie waar het licht glans aan geeft.


fabergé eieren






Je hebt eieren en je hebt Fabergé eieren. Het fijne onderscheid is dat je bij Fabergé eieren je jezelf niet hoeft af te vragen wat er eerst was, want er is namelijk geen kip aan te pas gekomen. Fabergé eieren zijn kunstwerkjes zoals je niet veel zal zien (als je er al ooit een te zien krijgt). Met veel juwelen, edelmetalen en gesteenten. Ieder ei heeft zijn eigen naam en geschiedenis. Zo heet dit mooie groene exemplaar het Kelch Apple Blossom Egg of ook wel Jade Egg (ondanks dat het ei niet van jade maar van nefriet gemaakt is). Dit ei werd in 1901 door Fabergé gemaakt voor meneer Kelch die er mevrouw Kelch mee wilde verrassen. Het ei is ongeveer 14 cm lang, 10 cm hoog en staat op pootjes. Maar dan niet zomaar pootjes, nee het zijn rood en groen gouden bloesemtakken in de knop die het ei in de lucht tillen. De bloesems zijn van wit en rozig emaille met als hart een rose diamant. Het is al met al een heel mooi voorbeeld wat er gebeurt als art nouveau en japanse invoeden elkaar vinden in een ontwerp. Nu schijnt het zo te zijn dat het ei niet een op zich zelf staand cadeau bedoelt was, maar ook als verpakking diende voor een ander sieraad dat zijn opwachting maakte op een bedje van fluweel aan de binnenzijde. Wat het was is helaas niet bekend. Het was hoogstwaarschijnlijk ook iets met goud of diamanten.



Het hele circus rondom de juweel-eieren begon in 1885. De Russische Tsaar (de een na laatste) gaf zijn favoriete juwelier Peter Karl Fabergé de opdracht om een paasei-juweel te maken als gift voor zijn vrouw. Dit viel zo goed in de smaak dat het een ware traditie werd. De laatste Tsaar, Alexander III liet zelfs twee eieren per jaar maken door Fabergé, iets wat deze graag deed. In totaal maakte hij met zijn atelier vele eieren die overigens ook door andere zeer rijke personen gekocht werden. Het verhaal gaat dat zelfs de Tsaar niet wist wat voor ei hij zou gaan geven, noch wat voor verrassing het zou bevatten. In totaal zijn er (zover bekend) nog rond de 50 eieren bewaard gebleven. Het atelier van Fabergé werd gesloten na de Russische revolutie (1918) en (op een latere telg na) werden er vervolgens geen Fabergé-eieren meer gemaakt. Dat maakt de bestaande eieren zo kostbaar en uniek dat er nu nog steeds mensen speuren naar de verdwenen exemplaren. Zo werd er in 2001 nog een ei teruggevonden. Het was het laatste, nooit voltooide ei voor de tsarina.


hoedenmaker







Als je hoge hoed zegt denkt iedereen aan een hoge zwart glimmende hoed. Maar wat voor een hoed is dat dan? vroeg ik me af. Grote kans dat je denkt aan een zogenaamde Hoge zije, een hoed gemaakt van zwarte zijde. Deze soort hoed komt vanaf 1797 in de mode en beleeft letterlijk zijn hoogtepunt (tot wel meer dan 20cm) rond 1850. De Hoge Zije werd gemaakt van kaasdoek, linnen, molton en schellak. Met diverse modellen strijkijzers werd om een vijfdelige houten mal, de schellak in het linnen gebakken en overtrokken met een zwarte zijden pluche. Er waren zeer exclusieve modellen, waaronder bijvoorbeeld een stijlvol model met een binnenrand van slangenleer. Zoals met alle mode was de hoge hoed aan verandering onderhevig. Werden de rechte hoeden eerst nog hoger en hoger tot ware kachelpijpen, later werden ze weer lager en een beetje getailleerd. Maar even terug naar de eerste hoge hoeden. 


De eerste hoge hoeden uit de 16e eeuw waren van een heel ander slag. Het materiaal dat voor deze eerste generatie hoge hoeden werd gebruikt was vilt gemaakt uit beverbont. Aangezien de Latijnse naam voor de bever Castor Fiber is werden de hoeden Kastooren genoemd. Veel meer dan tegenwoordig besteedden mannen hun tijd in de buitenlucht, waardoor hun hoed goed bestand moest zijn tegen alle natte elementen van het weer. Het belangrijkste aan een goede hoed was dat hij zacht aanvoelt, door overmatige lijm niet te hard is, geen water opzuigt en daarnaast schoon en duurzaam zwart is. De waterdichte eigenschappen van beverpels waren ideaal voor het maken van dergelijke stijlvolle hoeden. Er is niet heel veel bekend over de samenstelling van een Kastoor-hoed. Het weinige dat ik heb kunnen vinden komt uit het boek “volledige verhandeling der manufaktuuren en fabrieken” door Johan Hendrik Gottlob van Usti uit 1782 (en later door een kritische hoogleraar voorzien van menig scherpe voetnoot), vertaald uit het hoogduits en gedrukt in Utrecht. Het blijkt dat er hoeden bestonden die geheel uit bevervilt waren gemaakt, maar dat het maken van dergelijke hoeden een hele toer was omdat je niet zo maar van beverhaar vilt kon maken. Het leuke van het boek is dat in de voetnoten deze bewering wordt tegengesproken. Onze kritische hoogleeraar tekent aan dat je makkelijk vilt van beverhaar maakt, maar dat dit niet gedaan wordt omdat het te duur is. Aangezien het boek uit de nadagen van de Kastooren stamt kan dit heel goed kloppen. Bevers waren gewoonweg een schaars goed geworden. Verder meldt het boek dat er Heele Kastooren bestaan met veel beverhaar met daarnaast fijne wol van konijnenhaar en hazenhaar, aangevuld met 'Struiswolle' (geen wol van de struisvogel, maar een soort vilt van oostenrijks geitenhaar) en kameelhaar  Er bestonden ook Halve Kastooren met minder beverhaar en Kwart Kastooren zonder zelfs helemaal een enkele beverhaar.

Het bijzondere is dat naast de bever ook zwarte konijnen en mollen genoemd worden als haar dat gebruikt werd voor de hooge hoeden. Het mollenhaar werd zelfs geprefereerd boven de bevervacht. Maar de mens is gemakzuchtig. Ga maar eens mollen vangen. Bovendien heb je er minstens 20 nodig om net zoveel haar te verzamelen als bij één grote bever. Dat de bever niet uitgeroeid werd scheelde nog maar een haartje. Toen er niet meer genoeg bevers gevangen konden worden voor de hoedenproductie werd er naar andere materialen gezocht. De geminimaliseerde beverpopulatie slaakte waarschijnlijk een zucht van verlichting toen zijde als het beste materiaal uit de bus kwam al bleven er nog tot de tweede wereld oorlog bevervilten exemplaren in productie (na de tweede wereldoorlog verdween de hoge hoed uit het straatbeeld).


Diana Beltran herrera papieren vogels






Je zal maar vogeltjes maken van papier. Eerder schreef ik al eens iets over vogels van crêpepapier, maar Diana Beltran herrera maakt vogels van doodgewoon gekleurd papier. Haar creaties zijn echter allesbehalve doodgewoon en o zo herkenbaar. Neem maar van mij aan dat het een enorm karwei is om een vogeltje te vouwen en te knippen. Om het ergens op te laten lijken is al knap, maar met het vogeltje waar mijn oog op viel was nog iets anders aan de hand. De kunstenares heeft het diertje (dat zich waarschijnlijk tegen het raam heeft doodgevlogen) opengewerkt zodat het interne orgaanstelsel zichtbaar is. 


In één woord: Geniaal Vakvrouwschap


(oeps, toch twee woorden)
Bekijk meer werk van Diana Beltran herrera

veldgegevens






Bij het bestuderen van flora en fauna in een natuurgebied of je achtertuin is een notitieblok natuurlijk een onmisbaar artikel. Het wordt met ieder veldbezoek (of lekker op expeditie in de tuin) weer verder gevuld met waarnemingen en kennis over het bestudeerde fenomeen. Dat maakt ze waardevolle documenten. Nu kun je natuurlijk heel droog lijstjes met namen maken, netjes met datum, coördinaten en de weersomstandigheden, maar dat is niet iets waar mensen over een eeuw nog naar omkijken. Wat dat betreft had Leonardo Da Vinci het beter bekeken. Hij maakte bij zijn aantekeningen schema's en tekeningetjes die soms grof en soms juist verfijnd waren. Dat (samen met de vooruitziende blik van deze genie) maakt dat ze nu nog steeds bestudeerd worden. Een ander mooi voorbeeld is William D. Berry (1926-1979) Hij maakte in Alaska een hele serie kleine schetsen van wilde zoogdieren zoals beren (zie hierboven) en wolven met daarbij zijn bevindingen over het gedrag van deze wilde dieren. Door de tekeningen gaat het verhaal erbij leven. Het mooie van tekeningetjes is dat de tekenaar de nadruk kan leggen op juist datgene dat hem opviel bij zijn observatie. De ene keer is dat een dikke wintervacht, de andere keer een bijzondere pose of karakteristieke gezichtsuitdrukking. Het maakt dat je meegenomen wordt in een wereld die enkel een goed observator voor je kan ontsluiten, een wonderlijke wereld.

levensechte anatomische gezichtsreconstructie





Het is bizar hoe raar we soms tegen de wereld aankijken. Zo heb ik ooit gedacht dat alle mensenschedels hetzelfde waren, net zoals alle poezenschedels, kraaienschedels en vossenschedels. Maar dat klopt dus niet. Ieder schedel is uniek, want ieder individu is verschillend. Je moet echter goed weten waar je op moet letten om het aan een losse schedel te kunnen zien. Daarmee komen we op het vakgebied van de fysische antropologie. Bij dit vakgebied staat de mens in al zijn verschijningsvormen centraal. Een gedeelte van deze wetenschappelijke tak van sport maakt reconstructies op basis van schedels en ander botmateriaal. Heel interessante kost. Voor er daadwerkelijk een reconstructie plaats kan vinden is het belangrijk de leeftijd en het geslacht te bepalen. De leeftijd is voor een groot deel af te lezen aan het botweefsel van de fontanellen en de staat van (de botafbraak rond) het gebit. Met het geslacht is het net wat moeilijker. Uit vergelijkingen is gebleken dat schedels van mannen en vrouwen op meerdere punten verschillen. Zo hebben mannen gemiddeld gezien vaker een wat schuin verlopend voorhoofd en zijn wat robuuster gebouwd boven de neus en qua wenkbrauwen. Verder is de schedel bij de man vaak groter en zwaarder, bezit robuustere spieraanhechtingsplaatsen en maakt vaak een kantigere indruk dan de schedel van een vrouw. Uit heel veel vergelijkend onderzoek hebben wetenschappers in kaart gebracht wat voor huiddikte een bepaalde leeftijd en etnische groep gemiddeld heeft. Dit zegt natuurlijk nog niets over een individu, maar ook hier hebben de meester-vergelijkers iets op gevonden. De afwijkingen in botten en schedels geven minieme aanwijzingen over hoe iemand leefde. Een veelvraat krijgt daardoor bij een reconstructie meer gezichtsvet op de spieren dan iemand die duidelijk groeiproblemen had. En daarmee zijn we eigenlijk aangekomen bij het eerste wat aangebracht wordt bij een reconstructie; de spieren.

Alle dertig spieren uit een gezicht hebben twee aanhechtingsplaatsen en een vaste opbouw waarin ze in het gezicht voorkomen. Al deze spieren kunnen zich onafhankelijk van elkaar samentrekken. Aan de aanhechtingspunten (ruwere plekken) op de schedel kun je zien waar de gezichtsspieren waren aangehecht, hoe groot ze waren en hoe ze liepen. Degene die de reconstructie maakt moet daarom heel goed weten hoe een gezichtspier loopt en wat de dikte is om er daadwerkelijk iemand met een gezichtsuitdrukking van te maken. Hiertoe worden de spieren van binnen naar buiten weer terug aangebracht met boetseerklei. Doordat de aanhechtingsplaatsen van geen enkel schedel gelijk zijn ontstaat er iedere keer weer iets unieks. Naast de aanhechtingsplaatsen van de spieren wordt er ook gekeken naar de vorm van de oogkassen, de jukbeenderen en de kin. Het gebit kan informatie opleveren over de vorm van de lippen. De vorm van de neusholte levert vervolgens informatie over de lengte en breedte van de neus. Daar waar het verlengde van de neusbrug en het verlengde van het onderste uitsteeksel in de neusholte elkaar raken is het puntje van de neus. De breedte van de neus kan bepaald worden door ongeveer 3/5 van de lengte van de totale neuslengte te nemen. De neusgaten bepalen een belangrijk deel van de uitstraling van de neus, maar juist dat deel is niet goed te herleiden. Gokken dus. Het blijft sowieso een gok omdat de neus net zoals de oren uit zacht materiaal bestaan. Toch zijn bepaalde dingen meestal wel in verhouding, zoals het feit dat de oren meestal net zo groot zijn als de neus hoog.

Nu de spieren hun plek hebben kan er een huid overheen. Met houten pinnen op het schedel van een paar millimeter wordt de huiddikte aangeven. Deze is dun op het voorhoofd en wat dikker op de wangen, afgewerkt met wat echte huidstructuur. In dit stadium komt ook de verbeelding naar boven. Had de persoon in kwestie (lach)rimpels, littekens, een pukkel, een baard of alles in een? En welke kleur was het (gezichts)haar als daar niet iets over bekend is? Wat was de kleur van de ogen? Geen idee natuurlijk, maar toch ook wel. Uit gegevens hoe de persoon leefde kun je wel iets afleiden en de meeste mensen uit Afrika bijvoorbeeld hebben bruinzwart haar. Het (met de hand) aanbrengen van dat haar kan overigens wel ruim drie dagen duren. Maar ja, als je iets reconstrueert wat tienduizenden jaar oude botten weer een gezicht geeft, kunnen die drie dagen er ook nog wel vanaf. Zeg nou zelf, een onbehaarde Neanderthaler is toch geen gezicht?

Er zijn niet veel mensen die dit speciale, meesterlijke beroep uitoefenen. We kunnen in Nederland trots zijn dat we enkele mensen hebben die dit werk zó goed in de vingers hebben dat ze van over de hele wereld gevraagd worden voor hun levensechte (pre)historische reconstructies. Het werk van de gebroeders Kennis (en ja, ze hebben er zeer duidelijk verstand van) is te vinden over de hele wereld, maar ook op hun website: http://www.kenniskennis.com/site/Home/

Het gebruikte beeld bij dit verhaal is de ruwe versie van de reconstructie die de gebroeders Kennis maakten van Ötzi. Je kent 'm wel; Ötzi de ijsman.


Vulpotlood

Het vulpotlood van vroeger was een wonderlijk vernuftige uitvinding en tevens ook de voorloper van het nu gangbare houten potlood. Natuurlijk gaat de aandacht van velen uit naar de mooie voorbeelden die er te vinden zijn van de vulpotlood pennen (die hieronder komen uit het begin van de 19e eeuw), maar ik was zelf meer geïnteresseerd in de vullingen. Die hadden we namelijk thuis in de oude drukkerij. Ze zaten in van die ouderwets Duitse 'gründliche' doosjes in de flitsende kleur muisgrijs, met een label in perkament geel, met rood randje en uiteraard zwarte drukletters. Het bijzondere van zo'n doosje met potloodstiften was -dat als je de deksel oplichtte- er tientalle nieuwe, kleinere, langwerpige en ook vooral platte verpakkingen zichtbaar werden. Ook deze waren grijs met een gelig label, maar als toegift hadden deze een gouden zegel waarmee de verpakking als een kostbaarheid afgesloten was. Na het verbreken van het zegel kon de verpakking opengeschoven worden, een klein magisch moment. Een schat van maar liefst zes stevige, zwartglimmende potloodstiften werd onthuld; keurig in het gelid in hun houten omhulsel. Ik heb altijd genoten van de geur van de oude verpakkingen en het vernuft waarmee de potloodstiften zo netjes breekvrij ingepakt waren. Ondanks het kleine doosje kreeg je 'veul' potlood voor je geld. De verwondering zat 'm gewoonweg in de breekbare schoonheid.

Design lampen





Wat kan ik er van genieten als mensen de dingen niet enkel functioneel maken maar ook mooi. Hierbij twee voorbeelden van heel andere lampen van Nederlandse designers waar ik trots op ben (en een heel klein beetje jaloers omdat ik hun geniale design niet zelf heb bedacht, maar dat is dan ook niet mijn vak)



Pieke Bergmans: design in weke Dalí vormen. Het gaat niet over het bureau maar om de lamp. Of nog beter gezegd; de lamp in de lamp.Het licht vleit zich letterlijk op het werkvlak. Geniaal.







Floris Wubbe: design in pure vorm. Hij gebruikt alles wat er in een dikke wilgentak zit en gooit niets weg. Het hout wordt de voet en standaard, de bast in elkaar gedraaid de lampenkap. Dat levert zo'n voor de hand liggende lamp op dat het wel een klassieker moet worden. Wederom verdraaid geniaal.








Tuinieren op stand





Eindelijk zijn we eens niet in het bedompte rariteitenkabinet, maar in de tuin. Het is 1578 en een heerlijke zomerse dag in Frankrijk. Een gezette welgestelde Franse heer van adellijke afkomst "werkt" in de tuin. Nou ja, hij is zo rijk dat hij uit pure verveling tuinieren als opzichtige hobby heeft. Ik zeg met opzet opzichtig omdat de beste man tuingereedschap heeft dat bestaat uit zeer verfijnd gesmeed materiaal, deels verguld en overdadig gedecoreerd. Een groot deel van het tuingereedschap is gegraveerd met natuurlijke motieven zoals fruit en vis zodat de eigenaar zich helemaal in de tuin voelt. Als kers op de taart zijn de handvatten ingelegd met paarlemoer. Het is duidelijk dat de tuinman van deze adellijke heer als vanzelfsprekend niet in de buurt komt van dergelijk gereedschap. En wat doet de heer des huizes zelf met het gereedschap? Nou niet erg veel. Met een snoeimes in de hand zal hij waarschijnlijk nagedacht hebben over het mens zijn, het leven op aarde, de rol van God en uiteraard die van de natuur. Dat was namelijk een gebruikelijk tijdverdrijf in de Renaissance. Na gedane hersenarbeid en een pronkerig wandelingetje met z'n dure tuinspeelgoed was er natuurlijk nog wel tijd om zelfbewust een roos te knippen voor in zijn comfortabele werkkamer (of voor z'n maîtresse).


De sleutel







Een sleutel is net als het bijbehorende slot een prachtig ding. Sleutels zijn vernuftig en oude sleutels zijn vaak ook nog mooi van vorm. Ze vertellen verhalen over eigenaars of je kunt er juist een verhaal bij bedenken. Hieronder een verhaal dat ik tegenkwam op de website van het Oorlogsverzetsmuseum Rotterdam. Het gaat om de sleutel met nummer 1184.


De mensen van het verzetsmuseum schrijven over deze sleutel het volgende:

Op een onbewaakt ogenblik wisten wij de hand te leggen op een grote metalen sleutel, ruim 11 centimeter lang, aangetast door brand en roest. Aan de sleutel zit met een touwtje een label gebonden. En dat maakt de sleutel tot een ware schat. Het is een label zoals door de politie werd gebruikt om in het puin aangetroffen voorwerpen mee te identificeren.

Op de voorzijde van het label staan o.a. vindplaats: Beurs, datum: 23/6/40, de vinder: de Bruin. De achterzijde van het label is met een fijn handschrift beschreven: 

"Deze sleutel was de sleutel van de Brandkast, die in de kamer van de directeuren stond. De sleutel lag 10 mei 1940 in een muurkast naast de brandkast. De Beurs verbrandde 4 dagen later volkomen, alle vloeren stortten omlaag, de brandkast evenzoo, verloor daarbij den bodem, de deur werd scheluw, de inhoud bestaande uit acten, stichtingsoorkonde, en dergel, verbrandde tot witte asch, en deze sleutel lag meters ver ernaast."

Sleutel en label spreken tot de verbeelding. De sleutel omdat hij zo fijn groot is en je de illusie geeft dat je er geweldige deuren mee zou kunnen openen. Het label meer prozaisch omdat het zicht geeft op een werkelijkheid die ooit bestaan heeft. Je ziet de mannen in het puin speuren naar voorwerpen die niet verwoest zijn. Hoe ze zorgvuldig elk object meenamen en beschreven en bewaarden. Niet omdat ze zoveel waarde hadden- want wat moet je met een oude roestige sleutel?- maar om wat ze vertegenwoordigen: De gebouwen, het leven waarin ze een functie hadden, en dat zo ruw werd weggevaagd.

Met dank aan het  Oorlogsverzetsmuseum Rotterdam voor deze beschrijving die recht doet aan deze alledaagse, maar o zo bijzondere voorwerpen waarmee we ruimtes ontsluiten en besluiten.

http://www.heyheyhey.nl/





Soms kom je dingen tegen... Tja, gewoonweg geniaal! Zo ook het filmpje van 'Mevin and the machine' van Hey hey hey. Geniet met volle teugen.



In de nesten







Zonder de arts en botanicus Christopher Schmidel Casimir was het grote vogelnestenboek Sammlung von Nestern und Eyern” met maar liefst 100 gravures met vogelnesten er waarschijnlijk nooit geweest. Adam Ludwig Wirsing de samensteller, uitgever en graveur van het boek mocht namelijk uit zijn verzameling putten voor het maken van de gravures. Blijkbaar had Casimir een vogelnestenverzameling. Hij was wat je zou kunnen noemen “in de nesten”. Heel uniek en dat geldt ook voor het werk “Sammlung von Nestern und Eyern”. Dit Duitse boek uit 1777 is een echte rariteit onder de boeken. Gelukkig dat het werk door de digitalisatie van een van de laatste exemplaren nu voor heel de wereld te vinden is op internet. De verfijning in de platen is buitengewoon. Het lijkt soms wel alsof je de eitjes zo uit het nest zou kunnen pakken of dat je niet vreemd op zou moeten kijken als de vogel des nest zo weer neerstrijkt. Daarnaast is aan het materiaal van het nest veel aandacht besteed, eigenlijk net zoals de vogels dat zelf doen. De ets van het houtduifnest is een beetje grof met grote eieren en een slordig nest. Precies zoals de houtduif dat doet. Het nestje van het winterkoninkje daarentegen is heel priegelig met ieder veertje, mosje en takje op de juiste plek voor een prachtig zachte omgeving voor de frêle eitjes. En dat dan honderd maal. Adam Ludwig Wirsing genoot nog twintig jaar van zijn meesterwerk. De man die de beschrijvingen van de nesten verzorgde in het boek ging het minder goed af. Hij overleed in 1774 en maakte de vervolmaking van het standaardwerk voor Ornithologen niet meer mee.

Crêpepapieren vogels






Heeft u een verfijnd gevoel voor decoratie, een vaste hand, veel geduld en ook veel vrije tijd? Maak dan nu uw eigen vogel van Crêpepapier! Aimee Baldwin ging u voor.


Het lijf
Maak van piepschuim een vorm die overeenkomt met de groote en het postuur van de vogel die je wil gaan maken (inclusief nek en kop). Dit kun je met een scherp mesje doen, maar een gloeidraadje werkt ook. Een heel precieze gladde vorm is natuurlijk beter dan een ruwe, maar veel is nog te maskeren door de dubbelzijdige tape die strak om het lijfje wordt geplakt.

Pootjes
Voor de pootjes (of klauwen als je een roofvogel maakt) gebruik je verschillende diktes draad om de basis vorm van de poot te maken. Maak ze net iets langer zodat je de poten straks met een stukje in het lijf kan steken. De poten kun je daarna bekleden met crêpepapier. Als het dikke poten zijn kun je meer lagen aanbrengen of een soort van Fimo-klei gebruiken als opvulling. De nageltjes kun je hier ook van maken. Schilderen, buigen, klaar.


Verenpak
Knip, knip, Knip. Plak plak Plak. Van kop naar kont en van het midden steeds iets versprongen naar buiten. Een vogel heeft vele veren, maar voor een mooi resultaat hoef je ze gelukkig niet allemaal te knippen. Wederom gebruiken we crêpepapier. Het is erg lastig om crêpepapier in de goede kleurscharkeringen te krijgen, dus schilderen is het advies. Daar zit ’m meteen de botteleneck; crêpepapier is bijna niet fatsoenlijk te schilderen zonder een slappe, natte brij over te houden. Een delicaat proces dus. Advies is te zoeken naar verschillende kleuren crêpepapier of anders met airbrush of een streek acrylverf de zaak op kleur brengen.

Kop en snavel
Meerdere delen van een vogel, zoals de snavel zijn onbevederd en moet je dus nog los op het lijf aanbrengen. Hiervoor kun je fimo-klei gebruiken. Maak van de kop een goede studie, want als de kop niet klopt zingt het vogeltje niet zoals het gebekt is. de ogen kun je verwerken of later er in plaatsen. Glas geeft het mooiste resultaat en omdat je er toch al zoveel tijd aan kwijt bent om te maken lijkt het me dus een goede keus voor een glazen oogje te kiezen, tenzij de vogel slapend op een tak moet komen te zitten.

Biotoop
Een vogel in volle vlucht kan mooi zijn, maar de meeste tijd zit een vogel op een tak of paal. Kies maar wat je zelf mooi vindt. Een stolp kan je werkstuk behoeden voor vroegtijdige verstoffing of een aanval van hongerige insecten.


Geen tijd? Geen nood  Aimee Baldwin verkoopt ook vogels voor prijzen waar zelfs de mussen van hun stokje van gaan.

Gonggg



Het geluid van een gong heeft het vermogen om met z'n uitdovende vibrerend geluid stilte en rust af te dwingen. Toch is de ene gong de andere niet. Zo is er om te beginnen geen sprake van één gong waar de andere van afgeleid zijn. De meerdere soorten hebben zo lang ze er zijn altijd langs elkaar bestaan. De gong is trouwens niet iets typisch Chinees of Japans. Het enige dat je eigenlijk er van kunt zeggen is dat het niet echt een noordelijke uitvinding is. Maar nu over naar de verschillende gongen. Zo is er de cimbaal, die we tegenwoordig vooral kennen van het drumstel, maar in europa als eerste gebruikt werd in middelgrote symfonieorkesten en bij de fanfare. Deze (hand)gong blijkt al bekend van 800 jaar voor die bekende man geboren werd. Oud dus. Een mooie gong vind ik die met een bolle knop in het midden. Deze soort gongen heeft vaak een mooie versiering en de gong is niet enkel hol geklopt, maar ook nog eens voorzien van een rand. Het geluid van dergelijke gongen is minder flitsend dan die van cimbalen en heeft afhankelijk van de dikte van de gong en de breedte van de rand een wat doffere, maar zeker niet minder mooie toon. Dan zijn ber ook nog gongen met meer rand en bolle knop dan gong oppervlak. Deze gongen worden vaak als set bij elkaar gehangen en zo ook bespeeld. Het geluid is minder ver dragend en ook wat dof, al ligt dat er ook maar net aan wat de kwaliteit is. Als laatste wil ik toch ook nog even mijn favoriete gong noemen. Dit is, zoals lezers van het eerste uur wellicht nog weten de Boeddhabel (Voor een uitgebreidde beschrijving klik je hier). Heerlijk hoe deze plaatgong zijn geluid de ether in slingert met een hele fijne Gonggg.....

Related Posts with Thumbnails