Posts tonen met het label mensen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mensen. Alle posts tonen

unguentarium







Rouwen over een verlies heeft een bijzondere schoonheid. De emoties die bij veel mensen onder de oppervlakte blijven liggen vinden in het rouwproces een weg naar buiten en geven  karakter en diepte aan de rouwende. Dat er menig traan rolt, hoort daar onlosmakelijk bij.

In vroegere tijden was er een traditie om de tranen van rouwenden op te vangen in een zogenaamd glazen unguentarium oftewel traanflesje. De hoeveelheid opgevangen traanvocht stond symbool voor de geliefdheid van diegene die heen gegaan was. Er wordt gezegd dat rijke Romeinen vrouwen inhuurden om de dode te bewenen zodat er maar veel traanvocht geplengd werd. Of daarmee de geliefdheid of statuur van de dode in kwestie ook groter werd valt te betwijfelen.
In de victoriaanse tijd was het een tijd lang gebruikelijk dat wanneer het traanvocht van de rouwende was opgedroogd de rouwperiode ook voorbij was en na de tranen ook het leven weer de vrije loop kreeg.




spataderen





Soms ben je nieuwsgierig naar iets wat je later zomaar zou kunnen overkomen. Zo was ik vroeger gebiologeerd door de rare aderen op de benen van mijn oma. Het waren natuurlijk spataderen, maar wat het was, hoe het ontstond en of je er iets aan zou kunnen doen daar had ik natuurlijk toen nog geen idee over. Tijd voor een onderzoek dus.
Spataderen zijn in feite slappe aderen die door lekkende aderklepjes plaatselijk breder zijn geworden. Het zit namelijk zo. Bloed wordt door het hart rondgepomt, maar strtoomt natuulijk moeilijker omhoog dan omlaag. Om te voorkomen dat het bloed na een hartslag terug naar beneden stroomt, zijn de aderen om de tien centimeter van kleppen voorzien. Deze kleppen sluiten de ader na elke pompbeweging af. Sluit de klep niet goed door druk of uitlubbering dan lekt er bloed terug naar beneden, waardoor daar de druk weer toeneemt, met als gevolg een lekkende klep, en zo voort. Hierdoor ontstaan de kleine spataderen, ook wel takkenbosvenen genoemd, maar op termijn ook de dikke kronkelende knobbelige spataderen. 

Spataderen zijn niet mooi, maar ook nog eens ongezond omdat het bloed zijn afvalstoffen minder goed kan afvoeren. Daardoor kun van allerlei kwalen krijgen waar ik nog even niets van wil weten. Waarschijnlijk krijgen astronauten nooit spataderen. Zwaarte kracht is namelijk een grote boosdoener. Mannen wees blij, vrouwen hebben veel meer last van spataderen (een grap over de sterkte van het geslacht had hier goed gepast). Dikke mensen drukken zwaar op hun aderen en ouderdom komt met spataderen. Is er dan niets te doen aan deze uitspattingen?

Jawel. Zwemmen, joggen en wandelen helpt, net zoals niet te lang stil staan of zitten. Gevarieerd eten houd de aderen schijnbaar ook soepel. De voeten en benen van beneden naar boven af spoelen met koud water na het badderen schijnt ook goed te werken. Over steunkousen en gemakkelijke platte schoenen hoef ik nog even niet na te denken. Nou, goed te weten waar ik over tig jaar aan moet gaan denken (er van uitgaande dat ik onthoud dat ik dit stukje had geschreven)

rimpelvingers





Rimpelvingers en rimpelige tenen na het badderen of lekker lang zwemmen heeft iedereen wel eens. “De huid heeft zeker teveel water opgenomen” is lang de redenatie geweest, maar dit blijkt dus niet te kloppen. Dode mensen krijgen (vraag me niet hoe ze hier achter zijn gekomen) geen rimpelhanden. Iets minder luguber, ook lepra patiënten of mensen met een getransplanteerde vinger zijn vrij van rimpelverschijnselen. Nee, het is ons centrale zenuwstelsel dat er voor zorgt dat onze handen aan het rimpelen slaan. De zenuwen laten de bloedvaten in onze vingertoppen vernauwen zodat er rimpels ontstaan. Gemiddeld ontstaan die rimpellingen al na drieënhalve minuut. Met ouwe vrouwtjeshanden tot gevolg. Maar waarom? Meer grip op de natte ondergrond zou zomaar het goede antwoord kunnen zijn. Het blijkt namelijk zo te zijn dat je met rimpelige vingertoppen sneller bent in het grip krijgen op voorwerpen om ze te verplaatsen. Omdat het vlakke oppervlak van de vinger water niet snel afvoert ontstaan de rimpels vooral daar aan de zijkant van de vingers is het bijna nooit rimpelig (tenzij je natuurlijk echt oud vel hebt). De rimpels vormen een soort afvoerkanaaltjes waardoor water sneller afgevoerd kan worden. Het is dus duidelijk dat rimpels in natte omstandigheden voordeel opleveren. In droge omstandigheden geldt dat niet. Dat beantwoord voor mij meteen de vraag waarom we niet altijd met rimpels rondlopen. Samentrekken van huid (want dat is wat er feitelijk gebeurt als de bloedvaten zich vernauwen) kost energie en als het toch niet nuttig is kun je die energie beter aan iets nuttigs besteden. Zoals lekker slapen.

hoedenmaker







Als je hoge hoed zegt denkt iedereen aan een hoge zwart glimmende hoed. Maar wat voor een hoed is dat dan? vroeg ik me af. Grote kans dat je denkt aan een zogenaamde Hoge zije, een hoed gemaakt van zwarte zijde. Deze soort hoed komt vanaf 1797 in de mode en beleeft letterlijk zijn hoogtepunt (tot wel meer dan 20cm) rond 1850. De Hoge Zije werd gemaakt van kaasdoek, linnen, molton en schellak. Met diverse modellen strijkijzers werd om een vijfdelige houten mal, de schellak in het linnen gebakken en overtrokken met een zwarte zijden pluche. Er waren zeer exclusieve modellen, waaronder bijvoorbeeld een stijlvol model met een binnenrand van slangenleer. Zoals met alle mode was de hoge hoed aan verandering onderhevig. Werden de rechte hoeden eerst nog hoger en hoger tot ware kachelpijpen, later werden ze weer lager en een beetje getailleerd. Maar even terug naar de eerste hoge hoeden. 


De eerste hoge hoeden uit de 16e eeuw waren van een heel ander slag. Het materiaal dat voor deze eerste generatie hoge hoeden werd gebruikt was vilt gemaakt uit beverbont. Aangezien de Latijnse naam voor de bever Castor Fiber is werden de hoeden Kastooren genoemd. Veel meer dan tegenwoordig besteedden mannen hun tijd in de buitenlucht, waardoor hun hoed goed bestand moest zijn tegen alle natte elementen van het weer. Het belangrijkste aan een goede hoed was dat hij zacht aanvoelt, door overmatige lijm niet te hard is, geen water opzuigt en daarnaast schoon en duurzaam zwart is. De waterdichte eigenschappen van beverpels waren ideaal voor het maken van dergelijke stijlvolle hoeden. Er is niet heel veel bekend over de samenstelling van een Kastoor-hoed. Het weinige dat ik heb kunnen vinden komt uit het boek “volledige verhandeling der manufaktuuren en fabrieken” door Johan Hendrik Gottlob van Usti uit 1782 (en later door een kritische hoogleraar voorzien van menig scherpe voetnoot), vertaald uit het hoogduits en gedrukt in Utrecht. Het blijkt dat er hoeden bestonden die geheel uit bevervilt waren gemaakt, maar dat het maken van dergelijke hoeden een hele toer was omdat je niet zo maar van beverhaar vilt kon maken. Het leuke van het boek is dat in de voetnoten deze bewering wordt tegengesproken. Onze kritische hoogleeraar tekent aan dat je makkelijk vilt van beverhaar maakt, maar dat dit niet gedaan wordt omdat het te duur is. Aangezien het boek uit de nadagen van de Kastooren stamt kan dit heel goed kloppen. Bevers waren gewoonweg een schaars goed geworden. Verder meldt het boek dat er Heele Kastooren bestaan met veel beverhaar met daarnaast fijne wol van konijnenhaar en hazenhaar, aangevuld met 'Struiswolle' (geen wol van de struisvogel, maar een soort vilt van oostenrijks geitenhaar) en kameelhaar  Er bestonden ook Halve Kastooren met minder beverhaar en Kwart Kastooren zonder zelfs helemaal een enkele beverhaar.

Het bijzondere is dat naast de bever ook zwarte konijnen en mollen genoemd worden als haar dat gebruikt werd voor de hooge hoeden. Het mollenhaar werd zelfs geprefereerd boven de bevervacht. Maar de mens is gemakzuchtig. Ga maar eens mollen vangen. Bovendien heb je er minstens 20 nodig om net zoveel haar te verzamelen als bij één grote bever. Dat de bever niet uitgeroeid werd scheelde nog maar een haartje. Toen er niet meer genoeg bevers gevangen konden worden voor de hoedenproductie werd er naar andere materialen gezocht. De geminimaliseerde beverpopulatie slaakte waarschijnlijk een zucht van verlichting toen zijde als het beste materiaal uit de bus kwam al bleven er nog tot de tweede wereld oorlog bevervilten exemplaren in productie (na de tweede wereldoorlog verdween de hoge hoed uit het straatbeeld).


talisman vs amulet






Een talisman kan het zelfde zijn als een amulet, maar toch zijn er kleine verschillen. Aan een amulet worden vaker beschermende krachten toegeschreven om te beschermen voor gevaar, waar een talisman het zelfde doet maar dan vanuit een geluksbrengende functie. Het is dus maar net hoe je tegen het leven aankijkt; wil je het kwaad afschermen of lachend omzeilen?

Zowel talisman als amulet hebben zeer uiteenlopende vormen. Van een kippenbotje of een konijnenpootje tot aan een beeltenis van een heilige, aan al deze dingen wordt een waarde toegeschreven. Meestal wordt het voorwerp gedragen door diegene die geluk of bescherming zoekt, maar er is ook een vorm waarbij dit juist niet gebeurt.
In Cartago in Costa Rica bijvoorbeeld staat de Basílica de Nuestra Señora de Los Ángeles. Deze zwarte Maria zou genezing en bescherming bieden tegen lichamelijke ongemakken zoals gebroken ledematen en ontstoken ogen. Gelovigen komen naar deze plek toe om amuletten op te hangen in de vorm van hun zorg. Er zijn ter plekke grote vitrinekasten vol met amuletten van ogen, armen, benen en uiteraard harten.
Natuurlijk zijn er personen die het dragen van een talisman of een amulet maar grote onzin vinden. Die mening is natuurlijk ieders goed recht. De vraag of een amulet of talisman wel echt werkt is eienlijk helemaal niet relevant. Zolang er mensen zijn die positieve kracht ontlenen aan hun eigen kleine voorwerp met bijzondere waarde werkt het. Daar kan geen wetenschap tegen op.


levensechte anatomische gezichtsreconstructie





Het is bizar hoe raar we soms tegen de wereld aankijken. Zo heb ik ooit gedacht dat alle mensenschedels hetzelfde waren, net zoals alle poezenschedels, kraaienschedels en vossenschedels. Maar dat klopt dus niet. Ieder schedel is uniek, want ieder individu is verschillend. Je moet echter goed weten waar je op moet letten om het aan een losse schedel te kunnen zien. Daarmee komen we op het vakgebied van de fysische antropologie. Bij dit vakgebied staat de mens in al zijn verschijningsvormen centraal. Een gedeelte van deze wetenschappelijke tak van sport maakt reconstructies op basis van schedels en ander botmateriaal. Heel interessante kost. Voor er daadwerkelijk een reconstructie plaats kan vinden is het belangrijk de leeftijd en het geslacht te bepalen. De leeftijd is voor een groot deel af te lezen aan het botweefsel van de fontanellen en de staat van (de botafbraak rond) het gebit. Met het geslacht is het net wat moeilijker. Uit vergelijkingen is gebleken dat schedels van mannen en vrouwen op meerdere punten verschillen. Zo hebben mannen gemiddeld gezien vaker een wat schuin verlopend voorhoofd en zijn wat robuuster gebouwd boven de neus en qua wenkbrauwen. Verder is de schedel bij de man vaak groter en zwaarder, bezit robuustere spieraanhechtingsplaatsen en maakt vaak een kantigere indruk dan de schedel van een vrouw. Uit heel veel vergelijkend onderzoek hebben wetenschappers in kaart gebracht wat voor huiddikte een bepaalde leeftijd en etnische groep gemiddeld heeft. Dit zegt natuurlijk nog niets over een individu, maar ook hier hebben de meester-vergelijkers iets op gevonden. De afwijkingen in botten en schedels geven minieme aanwijzingen over hoe iemand leefde. Een veelvraat krijgt daardoor bij een reconstructie meer gezichtsvet op de spieren dan iemand die duidelijk groeiproblemen had. En daarmee zijn we eigenlijk aangekomen bij het eerste wat aangebracht wordt bij een reconstructie; de spieren.

Alle dertig spieren uit een gezicht hebben twee aanhechtingsplaatsen en een vaste opbouw waarin ze in het gezicht voorkomen. Al deze spieren kunnen zich onafhankelijk van elkaar samentrekken. Aan de aanhechtingspunten (ruwere plekken) op de schedel kun je zien waar de gezichtsspieren waren aangehecht, hoe groot ze waren en hoe ze liepen. Degene die de reconstructie maakt moet daarom heel goed weten hoe een gezichtspier loopt en wat de dikte is om er daadwerkelijk iemand met een gezichtsuitdrukking van te maken. Hiertoe worden de spieren van binnen naar buiten weer terug aangebracht met boetseerklei. Doordat de aanhechtingsplaatsen van geen enkel schedel gelijk zijn ontstaat er iedere keer weer iets unieks. Naast de aanhechtingsplaatsen van de spieren wordt er ook gekeken naar de vorm van de oogkassen, de jukbeenderen en de kin. Het gebit kan informatie opleveren over de vorm van de lippen. De vorm van de neusholte levert vervolgens informatie over de lengte en breedte van de neus. Daar waar het verlengde van de neusbrug en het verlengde van het onderste uitsteeksel in de neusholte elkaar raken is het puntje van de neus. De breedte van de neus kan bepaald worden door ongeveer 3/5 van de lengte van de totale neuslengte te nemen. De neusgaten bepalen een belangrijk deel van de uitstraling van de neus, maar juist dat deel is niet goed te herleiden. Gokken dus. Het blijft sowieso een gok omdat de neus net zoals de oren uit zacht materiaal bestaan. Toch zijn bepaalde dingen meestal wel in verhouding, zoals het feit dat de oren meestal net zo groot zijn als de neus hoog.

Nu de spieren hun plek hebben kan er een huid overheen. Met houten pinnen op het schedel van een paar millimeter wordt de huiddikte aangeven. Deze is dun op het voorhoofd en wat dikker op de wangen, afgewerkt met wat echte huidstructuur. In dit stadium komt ook de verbeelding naar boven. Had de persoon in kwestie (lach)rimpels, littekens, een pukkel, een baard of alles in een? En welke kleur was het (gezichts)haar als daar niet iets over bekend is? Wat was de kleur van de ogen? Geen idee natuurlijk, maar toch ook wel. Uit gegevens hoe de persoon leefde kun je wel iets afleiden en de meeste mensen uit Afrika bijvoorbeeld hebben bruinzwart haar. Het (met de hand) aanbrengen van dat haar kan overigens wel ruim drie dagen duren. Maar ja, als je iets reconstrueert wat tienduizenden jaar oude botten weer een gezicht geeft, kunnen die drie dagen er ook nog wel vanaf. Zeg nou zelf, een onbehaarde Neanderthaler is toch geen gezicht?

Er zijn niet veel mensen die dit speciale, meesterlijke beroep uitoefenen. We kunnen in Nederland trots zijn dat we enkele mensen hebben die dit werk zó goed in de vingers hebben dat ze van over de hele wereld gevraagd worden voor hun levensechte (pre)historische reconstructies. Het werk van de gebroeders Kennis (en ja, ze hebben er zeer duidelijk verstand van) is te vinden over de hele wereld, maar ook op hun website: http://www.kenniskennis.com/site/Home/

Het gebruikte beeld bij dit verhaal is de ruwe versie van de reconstructie die de gebroeders Kennis maakten van Ötzi. Je kent 'm wel; Ötzi de ijsman.


Jachtig





Wat je ook van jagen vindt, het is een bezigheid met diepgewortelde tradities. Veel van de gebruiken rondom de jacht zijn ontstaan in de middeleeuwen. Ik las ergens dat in de middeleeuwen de jacht wordt gekenmerkt door symboliek, ridderlijkheid en sportiviteit, met het accent op drie begrippen: opsporen, opjagen en doden. Dat klinkt mooi, maar het is maar een kleine groep aristocraten die er van profiteert en daarnaast ook nog de zeggenschap heeft over een grote massa lijfeigenen en boeren. Die laatste bewerken de akkers en moeten niet alleen het grootste deel van de opbrengst aan de eigenaar afdragen, maar ook zijn rechten respecteren, zoals bijvoorbeeld het jachtrecht, visrecht, maalrecht en tolrecht. Het recht op de jacht wordt streng gehandhaafd, zo streng dat de belangen van het wild en van de jacht soms boven die van de voedselproductie worden gesteld. Dat gaat zelfs zo ver dat boeren niet het recht hebben om het wild, dat schade aanricht, van de akkers te verjagen en ze moeten aanzien dat adellijke jachtgezelschappen tijdens de jacht op hun paarden dwars door de ingezaaide velden denderen. De tegenstellingen zijn heel groot: terwijl lijfeigenen en boeren honger lijden, leven adel en geestelijkheid in decadente luxe. De geestelijkheid mag officieel niet deelnemen aan de jacht, maar is toch steeds present bij jachtpartijen en heeft niet zelden zelf uitgebreide jachtrechten in haar bezit. Waar het plebs op een houtje bijt verandert voor de aristocratie de noodzaak om te jagen in een stijlvol tijdverdrijf, dat zich tot een ware kunst ontwikkelt. Een kunst met regels en etiquette, met pracht en praal, met paarden en meutes (honden en of mensen), met netten, (kruis)boog, speren of zwaarden en uiteraard met valken. 
Bij vrijwel alle vormen van de middeleeuwse jacht spelen honden een belangrijke rol. Jachthonden moeten aan een aantal eisen voldoen: een goed reukvermogen hebben, moedig genoeg zijn om dieren te stellen (op de plaats houden) en blaffend aangeven waar ze zich bevinden), aan te vallen of te doden en een groot uithoudingsvermogen hebben om het wild langdurig te kunnen achtervolgen. De middeleeuwse jagers werkten het liefste met een gevlekte hond, zodat deze niet voor wild aangezien kon worden. Echte rassen zijn er in de middeleeuwen nog niet, maar zeker is dat door het fokken en selecteren van de meest geschikte honden een groot aantal rassen van onze huidige trouwe viervoeter zijn ontstaan. Als het gaat om het jachtrecht is aan de adel het recht op de jacht op groot wild voorbehouden (de zogenaamde hoge jacht). Lagere standen mogen onder voorwaarden op konijnen, hazen en veerwild jagen (de lage jacht). Er bestaat een opsomming uit 1502 van het te bejagen wild: Conijnen, Hasen, Perdrijzen, Fesanen, Putoren, Moerhoenderen, Cranen, Swanen, Reyghers, Quacken, Schollevaars en Lepelaars. Daarbij komen dan nog het wilde varken, edelhert en ree. De uitvinding van het buskruit en de komst van de eerste vuurwapens maken een einde aan de middeleeuwse jacht, maar niet aan de in deze tijd opgebouwde tradities. Deze leven nog altijd voort in de jachtige tijd van nu.





LUCY GLENDINNING





Will we be able to resist it?
 Of coursed not, I say.
   The endless opportunity
     to better our future,
        to improve the human race,
     and solve the endless
  problems of more.

Will we be able to resist it?
   Once we have cured the sick,
     to improve the well,
       what fun we’ll have
    making useful modifications
improvements and special vocations.


Will we be able to resist it?

       A decoration applied with
a gene, not a needle.
       To breath under water
Wouldn't that be useful,
       or to fly who could resist that.
To be special we all want it,
       once we are no longer a child.

Will we be able to resist it?
     Is evolution ours now?
     Will it be like most,
money will buy the prize?
     You will need to be
     something like a Rothschild
to be able to fly.
     Or to glow in the dark
     a Geldof or a Spark.
     Is it about to change,
are we to be in charge?

lukrake ontdekkingen





Nou was ik op zoek naar...tja... ik was dus aan het zoeken naar.... dat ene... je weet wel...ach, het schiet me zo niet te binnen, maar ik was er dus wel naar aan het zoeken. Toen ontdekte ik zomaar, lukraak en onbedoeld bijgevoegde foto. Ik had het totaal niet verwacht en toch was het het beste wat me die dag overkwam. De gebeurtenis (en dus niet de foto, ondanks dat ie heel grappig is) inspireerde me tot dit verhaal. Gelukkig ben ik niet alleen. Het fenomeen vinden waar je niet naar zocht heet serendipiteit. Serendipiteit is het vinden van iets onverwachts en bruikbaars terwijl je op zoek bent naar iets totaal anders. 

Belangrijk is echter wel dat je iets doet met je ontdekking. Als bijvoorbeeld de ontdekker van penicilline z'n werk gewoon in de prullenbak gegooid had (zoals meerdere collega's voor hem waarschijnlijk wel deden), nou ja dan waren er nu gewoon heel wat minder mensen op deze aardbol. Als de man die superlijm wilde maken z'n halfslachtig plakkende plak niet op een papiertje gesmeerd had was het geeltje er nooit geweest. Kortom, serendipiteit is belangrijk. Ben je ooit in een bibliotheek geweest met zo'n heel ouderwets kaartenbaksysteem? Het zoeken in zo'n bak kaartjes op alfabetische volgorde zet de deuren wagenwijd open voor het ontdekken van dingen die je niet persé zocht maar die je leven wel kunnen verrijken. Helaas is het kaartenbaksysteem in de doorsnee bibliotheek niet meer. Gelukkig werkt het ook met een woordenboek zoals de Dikke van Dale. Laatst zomaar in een paar uur wel zes nieuwe onderwerpen voor in het rariteitenkabinet verzameld. Dat rondsnuffelen zie ik me op internet nog niet zomaar doen, tenminste... niet zolang ik nog goed weet dat ik op zoek ben naar dat ene...je weet wel.

werveling





Een mens heeft in zijn wervelkolom maar liefst 24 wervels om een beetje soepel te kunnen voort te kunnen. Er zijn drie soorten wervels. We hebben zeven halswervels, twaalf borstwervels (waar ook de ribben en het borstbeen aan vast zitten) en vijf lendenwervels. Daarnaast is er aan het uiteinde van de wervelkolom ook samengeklonterd door-geëvolueerd wervelmateriaal; een heilig been en een staartbeen. Het uiterste puntje daarvan wordt ook wel je stuitje genoemd en kan een erg pijnlijke plek zijn.



Maar even terug naar de functionele wervels. De wervels zijn stuk voor stuk uniek van vorm. Zonder zenuwen, tussenwervelschijven als schokdempers, banden en spieren die alles op z’n plek houden lijken ze bizar gevormd met die uitsteeksels aan de zijkant en een gat in het midden. Als verbonden geheel klopt het. Korte banden verbinden de wervels onderling, lange lopen langs de hele kolom. De spieren maken alle krommingen van je rug mogelijk of dat nu een verticale, horizontale of diagonale bewegingen zijn. O ja, de wervelkolom beschermt ook nog de hoofdbaan van je zenuwen naar je brein. Kortom het is een ongelofelijk samenspel waar je zuinig op mag zijn.

Lissa Nilsson; menselijke doorsnedes in papierkunst


Ik keek eens een fantasierijke film, waarin een levend paard nogal abrupt in dunne plakjes wordt gesplitst om vervolgens tussen glasplaten gewoon functionerend en al door de geschrokken hoofdrolspeler bezichtigd te worden (kijk hier maar eens). Ik moest weer denken aan dat bizarre stukje film toen ik de kunst van Lissa Nilsson tegen het lijf liep. Het verschil met de film is is dat dit plakje mensenhoofd niet leeft en ook geen vleselijk materiaal bevat. Het is namelijk een kunstwerk geheel opgetrokken uit opgerold papier. De verschillende dichtheden en kleuren geven de structuur van de weefsels en hardere delen goed weer en dat met enkel papier. Een heel knap staaltje vakvrouwschap.


Ruven Afanador bijzondere foto's


 
 


Een beetje vreemd, maar wel erg mooi. Zo laten de (mode-)foto's van Ruven Afanador zich het beste typeren. Het bijzondere is vind ik dat de beelden op een smaakvolle manier overdadig zijn.  Het zit 'm in de omgeving, maar ook in de kleur van het geheel. Het klopt gewoon. Daardoor nodigen ze uit om eens goed te bekijken. Niet enkel deze serie met schedels en wasmodellen is erg mooi. Ook andere settings zoals een Barok kasteel of een sixties-keuken zijn van een grote schoonheid.
Bekijk hier meer van Ruven Afanador.




zwangerschap

In de oudheid werden er ook kinderen geboren. Gelukkig maar. Dat bevallingen niet altijd lopen zoals gepland was ook toen bekend. In de 2e eeuw na Christus was er een Griekse arts die zich intensief bezig hield met het bevallingsproces. Zijn naam was Soranus van Ephesus en hij was tot 1526 de enige die zich echt serieus bezig hield met het onderwerp bevallen. Soranus van Ephesus beschreef in zijn boek 'Gynaecia' wat te doen bij bevallen. Hij bundelde daarmee alle toenmalige kennis van de gynaecologie, de verloskunde en de kindergeneeskunde in de Grieks-Romeinse wereld. Het gaat een beetje ver om alle onderwerpen van de 'Gynaecia' te bespreken, maar enkele zijn wel interessant om te noemen. Zo geeft Soranus tips voor het aannemen van een andere positie of het keren van het dwarsliggende kind. Daarnaast besteedde hij als eerste aandacht aan het toetsen van de gezondheid van het pas geboren kind, zoals het laten schreeuwen door het op de grond te leggen en nagaan of de moeder tijdens de zwangerschap wel gezond was geweest. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit (in 1952 kwam er pas een vergelijkbare toets: de APGAR-score). Als een kind niet positief uit de toets kwam was het kind volgens Soranus niet de moeite waard om opgevoed te worden. Dat klinkt hard, maar de mogelijkheden om zwakkeren in leven te houden waren toen nog erg beperkt. Hoe dat “niet opvoeden” gebeuren moest wist overigens zelfs Soranus niet. 

vissenhelm



Er was eens een krijgslustig vissersvolk......
Zo zou het sprookje kunnen beginnen dat hoort bij het verhaal van het onstaan van de vishelm. De vishelm heeft namelijk niets te maken met het belang van de helm bij het vissen (zie hiervoor de uitleg door Bert Visscher) maar alles met krijgskunst op Christmas Island, de thuisbasis van de Kiribati (uitspraak: 'kiri-bass'). Even voor de goede orde; Christmas Island ligt ten zuiden van Hawaii in het deel van de wereld dat Micronesia heet en heeft drie grotere woonplaatsen: Parijs, London en Poland. Ondanks deze noordelijke plaatsnamen is het een sprookjesachtig bounty-eiland met bijna meer blauwe lagoons dan land. Kiribati is het enige land ter wereld dat zowel op het noordelijke, zuidelijke, oostelijke als westelijke halfrond ligt. Omdat het eiland meer zee dan land heeft was het hoofdvoedsel van de oorspronkelijke bewoners vis. De Engelsen die de eilanden in dit deel van Oceanië veroverden troffen trotse met vis bepanserde krijgers. Want wie wil er nou niet in een sprookjesachtig stukje paradijs wonen?

De helm van de Kiribati-krijger is gemaakt van een grote soort egelvis die vaak ook nog giftige stekels hebben. De vis blaast zich op bij gevaar en heeft een hard uitwendig skelet. Als je dit alles uitholt is het dus een uitstekend stevige helm. Het "zwaard" is gemaakt van koraal, wat het een geducht wapen maakt; koraal is nogal scherp. Het wambuis is gemaakt van kokosnootvezel wat het net zo stevig maakt als een ouderwetse deurmat. De Engelsen waren na hun verovering zo nieuwsgierig dat ze een deel van de mooiste voorwerpen mee namen naar Engeland. In het Pitt Rivers Museum is daarom nog steeds de meest uitgebreidde collectie met originele Kiribati voorwerpen te bewonderen. zo is ver weg toch stiekem heel dichtbij.

rariteitenkabinetten


Kunstkamers, rariteitenkabinetten, verzamelingen van de bijzondere buitenwereld in het klein. De gegoede burgers van de 16e, 17e en 18e eeuw schiepen met hun verzamelingen orde in het buitenissige wat de wereld te bieden had. In deze verzamelingen, die in latere tijden herschikt en opgesplitst zouden worden naar de aard van de voorwerpen, was nog geen onderscheid of scheiding tussen curiosa, devotionalia, naturalia en artificialia. Nieuwsgierigheid en verwondering voerden de boventoon, waarbij het kennisaspect enkel statusverhogend werkte.

De onderwerpen waren legio. Zo was het gebruikelijk om in ieder geval van de drie rijken der natuur een of meerdere voorwerpen te hebben. Rijk één was wat we nu geografie zouden noemen. Dit onderdeel van de verzameling bestond uit stenen met bijzondere herkomst, mineralen en fossielen. Rijk twee noemen we nu botanie en omvat alles wat met planten, oftewel flora, te maken heeft. Naast gedroogde (exotische) planten en stukken koraal werden er ook levende plantenverzamelingen aangelegd. Daarmee waren de Hortussen geboren. Verzamelingen met enkel bomen werden arboreta genoemd. Het derde rijk omvatte het gehele dierenrijk. Er was nog geen echte systematiek, dus een narwalhoorn kon gewoon gebroederlijk naast een opgezette stekelvis hangen in een verzameling. Naast gedroogde of opgezette dieren en skeletten bevatte het dierendeel van een rariteitenkabinet ook vaak fauna op sterk water in potten met opschrift. Een mythisch wezen kon zomaar in een van de potten z’n onderkomen hebben. De verzamelaars die het echt groots aanpakten verzamelden ook levende dieren, wat later uitmondde in de alom bekende dierentuinen.

En dat was dan nog enkel het onderdeeltje natuur. Onder het onderdeel artificialia viel alles wat met mensen te maken had, schilderkunst, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen van vaak exotische volkeren, historische boeken, prenten, beeldhouwwerk, sieraden, vuurwapens, devotionalia en nog een hele (niet nader te noemen) waslijst. Er zaten natuurlijk ook dingen tussen die we tegenwoordig curiosa zouden noemen. Feit is wel dat ook de artificialia later uiteen werden gehaald. De kunst in een apart museum, bijzondere volken naar het volkenkundig museum en historie naar de bibliotheek of in een oudheidkundig museum naar onderwerp. Alles netjes in een hokje.

Allesomvattende verzamelingen waren ook onderhevig aan de mode. Vanaf de 18e eeuw was het ordenen naar de laatste wetenschappelijke inzichten de mode. Specialisatie was het toverwoord. Alles wat niet paste binnen de verzameling werd verkocht aan anderen. De goed gefinancierde verzamelingen kregen uiteindelijk eigen musea. Verzamelen van het mooiste, bijzonderste en meest exclusief exotische was geen goedkope hobby. De gedreven verzamelaars verzamelde soms meer rariteiten dan hun fortuin aan kon. En hun nazaten zaten er dan mee. Veel van de meest bizarre verzamelingen, die zeker niet in een hokje te plaatsen vielen, vielen daarom dan ook uiteen door erfeniskwesties, financieel wanbeheer en onkunde.

wezenkastje





Wezenkastjes waren kastjes waar weesjongens vroeger hun persoonlijke bezittingen en gereedschap in bewaarden. Niet heel bijzonder. Meer bijzonder was een weeskist. Dat klinkt bijna het zelfde, maar was toch duidelijk iets anders. De weeskist bestond uit een met ijzer beslagen houten kist met vele genummerde laden met meer dan één slot, zodat er meerdere personen nodig waren om de kist te openen. In een dergelijke weeskist werden persoonlijke bezittingen van de overleden ouders zoals geld of persoonlijke erfstukken opgeborgen. De kist was zolang de wees minderjarig (of nog niet getrouwd) was in bewaring bij de weesmeesters van het weeshuis. Als het zover was mocht de wees zijn of haar deel op komen halen bij de weeskamer van de weesmeesters. Er werd dan een "Staat en bewijs van goederen" overlegd en het bewuste erfdeel werd overgedragen. Overleed de wees dan verviel de erfenis aan het weeshuis. Dat laatste was natuurlijk niet een erg goede motivatie om goed voor de wezen te zorgen. Wat dan ook niet altijd het geval was...

Paul Ekman: gezichtsexpressies





Emoties tonen we met ons lichaam en vooral met ons gezicht. Paul Ekman, een psycholoog, werd wereldberoemd doordat hij emoties koppelde aan gezichtsuitdrukkingen. In het boek "de verzamelde werken van T.S. Spivet" beschrijft de hoofdpersoon op een gegeven moment de gezichtsuitdrukkingen van zijn familieleden aan de hand van de door Ekman verzonnen gezichtscoderingssysteem. Met dat systeem zijn alle gezichtsuitdrukkingen en de bijbehorende emoties samen te stellen. Ekman onderscheid zes basis emoties, namelijk: boosheid, walging, angst, geluk, verdriet en verrassing. Later kwam hij nog met afgeleidde emoties zoals bijvoorbeeld tevredenheid, schuld, verlegenheid en opwinding. Ekman werkt nog steeds aan het ontrafelen van de wondelijke wereld van onze emoties.


The Hair Museum in Avanos



Galip Körükçü uit Avanos maakt en bakt potten en zijn vrouw weeft tapijten net zoals meerdere mensen uit hun omgeving, maar Galip heeft iets bijzonders wat de andere pottenbakkers niet hebben: een haarverzameling. Sterker nog deze man heeft maar lieft 16.000 verschillende haarlokken van verschillende vrouwen inclusief hun herkomst. Galip heeft er een hele grot mee behangen en dat geeft een zeer speciaal vervreemdend effect.

vrijheidsbeeld

Gustave Eiffel is het beroemdst geworden doordat hij de eifeltoren bouwde. Hij ontwierp dat ranke bouwwerk niet zelf, dat deden twee van zijn medewerkers. Een van hen, Maurice Koechlin, werkte samen met Eiffel aan de constructie van het vrijheidsbeeld. Dit beeld zou eigenlijk helemaal niet in Amerika  komen te staan, maar aan het Suezkanaal als vuurtoren. Eiffel ontwierp de staalconstructie die de basis van van het beeld vormen. Het overige geraamte en de bevestigingsmethode van de vele koperen platen waar het beeld uit bestaat werden ontworpen door Maurice Koechlin, een medewerker van Gustave Eiffel. Vreemd genoeg is er maar weinig bekend over deze medewerker van Eiffel, die later het bedrijf van Gustave Eiffel overnam.

Suzanna Scott, menselijk huis



Deze kunstwerken die het woord "poppenhuis" een geheel andere dimensie geven zijn van Suzanna Scott en dit is haar favoriete gedicht:

My Shadow

By Robert Louis Stevenson, (1850–1894)


I have a little shadow that goes in and out with me,
And what can be the use of him is more than I can see.
He is very, very like me from the heels up to the head;
And I see him jump before me, when I jump into my bed.



The funniest thing about him is the way he likes to grow—
Not at all like proper children, which is always very slow;
For he sometimes shoots up taller like an India-rubber ball,
And he sometimes gets so little that there’s none of him at all.



He hasn’t got a notion of how children ought to play,
And can only make a fool of me in every sort of way.
He stays so close beside me, he’s a coward you can see;
I’d think shame to stick to nursie as that shadow sticks to me!



One morning, very early, before the sun was up,
I rose and found the shining dew on every buttercup;
But my lazy little shadow, like an arrant sleepy-head,
Had stayed at home behind me and was fast asleep in bed.



Related Posts with Thumbnails