Het beerdiertje is een erg klein beestje (0,5- 1,5 mm) dat in 1773 door een Duitse pastor werd ontdekt. Goeze (zo heette de man) beschreef het diertje als bol met een koddig lijfje en vier paar pootjes. Inmiddels weten we dat beerdiertjes al meer dan 92 miljoen op de aarde leven en hun voorvaderen zelfs al 550 miljoen jaar. Na de ontdekking van Goeze zijn er nog vele beerdiertjes ontdekt. In totaal zijn tegenwoordig meer dan 1000 verschillende soorten bekend. Naast het koddige uiterlijk en de trage manier van leven is het vleesetende diertje een wereldwonder eerste klas. Een beerdiertje kan namelijk nogal extreme omstandigheden overleven. Door een soort van ultieme winterstand kan het wonderlijke wezen z’n leven verlengen van enkele maanden tot aan meerdere jaren. Het beerdiertje rolt zich op en laat zich tot een propje ineen schrompelen. Wat er dan in de tussentijd gebeurt schijnt niet erg uit te maken. Even een greep uit de onmogelijke omstandigheden: -270°C (in vloeibaar Helium), +100°C, vacuüm, 600 MPa (zeg maar gerust extreme druk) en radioactieve straling. Het prepareren van dit diertje met formalyde ,vaseline of 100% alcohol heeft overigens ook geen nut. Het beerdiertje blijft vrolijk leven. Op het moment dat de omstandigheden weer enigszins oké zijn komt het beerdiertje uit zijn verschrompelde toestand en leeft weer helemaal op. Wat dat betreft is deze bijzondere diersoort beresterk.
Beerdiertje
Het beerdiertje is een erg klein beestje (0,5- 1,5 mm) dat in 1773 door een Duitse pastor werd ontdekt. Goeze (zo heette de man) beschreef het diertje als bol met een koddig lijfje en vier paar pootjes. Inmiddels weten we dat beerdiertjes al meer dan 92 miljoen op de aarde leven en hun voorvaderen zelfs al 550 miljoen jaar. Na de ontdekking van Goeze zijn er nog vele beerdiertjes ontdekt. In totaal zijn tegenwoordig meer dan 1000 verschillende soorten bekend. Naast het koddige uiterlijk en de trage manier van leven is het vleesetende diertje een wereldwonder eerste klas. Een beerdiertje kan namelijk nogal extreme omstandigheden overleven. Door een soort van ultieme winterstand kan het wonderlijke wezen z’n leven verlengen van enkele maanden tot aan meerdere jaren. Het beerdiertje rolt zich op en laat zich tot een propje ineen schrompelen. Wat er dan in de tussentijd gebeurt schijnt niet erg uit te maken. Even een greep uit de onmogelijke omstandigheden: -270°C (in vloeibaar Helium), +100°C, vacuüm, 600 MPa (zeg maar gerust extreme druk) en radioactieve straling. Het prepareren van dit diertje met formalyde ,vaseline of 100% alcohol heeft overigens ook geen nut. Het beerdiertje blijft vrolijk leven. Op het moment dat de omstandigheden weer enigszins oké zijn komt het beerdiertje uit zijn verschrompelde toestand en leeft weer helemaal op. Wat dat betreft is deze bijzondere diersoort beresterk.
oerglansrijk
Nooit geweten, maar er zijn ook gekleurde fossielen. Dan bedoel ik werkelijk kleurig van zichzelf en niet vanwege het materiaal wat de plek van het oorspronkelijke wezen heeft ingenomen, zoals bijvoorbeeld met opaal of pyriet wel het geval is. Het bijzondere van de kleurrijke insectenfosielen, (want daar heb ik het over) is het feit dat de structuur waar deze insecten hun kleur aan te danken hebben bewaard is gebleven. Eerder legde ik al uit dat de structuur van bijvoorbeeld vlindervleugels bepalend is voor de kleuren die ze reflecteren. Dat kunststukje blijkt dus al heel oud. De kevers waar het om gaat zijn meer dan 20 milioen jaar oud en het enige dat veranderd is is dat de structuur een beetje gedeukt is. Daardoor kleuren deze oudjes net wat roder dan ze waarschijnlijk ooit geweest zijn. Ik vind het een gezonde blos voor zo'n oude beestjes. Zo komen fossielen in een wat minder bruin-grijs daglicht te staan.
Coelacanthus
Coelacanthus. Roofvis. Levendbarend. Merkwaardige staart uit drie delen. Kwastvormige vinnen. Afmeting: enkele centimeters tot twee meter. Favoriete bezigheden: kopstand en rondhangen. Leefde 400 tot 70 miljoen jaar geleden. Oudste beschrijving fossiel: 1833 door de Zwitserse zoöloog Louis Rudolph Agassiz. Stiekem toch niet uitgestorven.
Marjorie Courtenay-Latimer, had het eigenlijk te druk om de visvangsten van de Zuid-Afrikaanse kapitein Hendrik Goosen te gaan bekijken. Er zat dan ook niet iets bij wat ze niet al in haar verzameling had. Op die ene na. Een stukje blauwe vin bleek te horen bij een bleek blauwe vis van anderhalve meter lang met oplichtende zilveren stippen. Maar wat was het? De driedelige staart en het kwastje leidde haar al spoedig tot de conclusie dat het een prehistorische vis was. Maar ja, je weet het nooit zeker en daarom stuurde ze professor James Leonard Brierley Smith van de Rhodes Universiteit in Grahamstown een schets van het dier. Ook hij kon maar tot een conclusie komen; het was daadwerkelijk een coelacanth. Smith gaf zijn baan op en ging op zoek naar deze prehistorische vis. Dat ging niet al te makkelijk. Behalve dat de tweede wereldoorlog was uitgebroken had hij eigenlijk niet echt een idee waar te zoeken. Teneinde raad loofde hij een prijs uit voor diegene die hem een coelacanth kon bezorgen. Met duizenden opsporingsaffiches in ieder zeedorpje van oostelijk Afrika lukte het uiteindelijk. Kapitein Eric Hunt (heel toepasselijke naam) was degene, die na 14 jaar speuren, op de Comoren een nieuw exemplaar vond.
Hoe blij hij ook was, de vangst van het tweede dier was het slechtste dat Smith kon overkomen. Smith meende dat het dier van een andere soort was, onder meer omdat de vis zijn tweede rugvin miste. Andere zoölogen ontdekten echter dat de vin ontbrak door een verwonding. Nog erger voor Smith was dat de Franse overheid zich realiseerde een waardevolle wetenschappelijke ontdekking zo maar aan Zuid-Afrika te hebben gegeven. Parijs besloot dat er voortaan geen coelacanth mocht worden uitgevoerd. Smith kon daardoor geen onderzoek verrichten aan de tientallen exemplaren die later nog werden gevangen. De conclusies die Smith trok over de missing link van de vis coelacanth en de eerste landdieren werden ook ontkracht door later onderzoek. Het toch al wat neerslachtige gemoed van James Leonard Brierley Smith heeft die tik nooit goed verwerkt. Op 8 januari 1968, zeventig jaar oud, pleegde hij zelfmoord. ‘Voorzichtig. Cyanide,’ waarschuwde het afscheidsbriefje aan zijn vrouw.
Versteend woud
In Griekeland "staat" het versteende woud van Lesbos , in Namibië het versteende woud van Khorixas, op Java het versteende bos van Krakatau, in Hongarije het moerascipressenbos van Bukkabrany en in Arizona het Petrified Forest National Park. En dat is dan nog maar een greep uit het totale stenenbos-aanbod. Het lijkt wel alsof de wereld vol staat met versteende bomen, zo niet bossen. Nou nee dus, maar de overgebleven fossielen van de tropische wouden van de prehistorie komen wel op meer plaatsen voor dan ik ooit gedacht had.Zwart goud
Olie wordt gevormd uit de resten van plankton en ander klein zeeleven dat na afsterven op de zeebodem terecht gekomen is. Normaal gesproken verteert het daar, maar als er op de zeebodem geen of heel weinig zuurstof aanwezig is, wordt het rottingsproces door bacteriën sterk geremd. In de loop der tijd komen er grote hoeveelheden zand, grind en klei over de laag te liggen en wordt het soepige bezinksel omgezet in een vaste laag. Naarmate er meer aardlagen worden afgezet, neemt de druk en de temperatuur in de laag toe. Als de laag uiteindelijk is bedekt met één tot zes kilometer sediment en de temperatuur tussen de 50 en 150°C is opgelopen, kan het proces van olievorming beginnen. Vooral de vetten uit het voorheen plantaardige materiaal worden omgevormd tot aardolie. Aardolie is veel lichter dan vaste steen en water en drijft dus naar boven tot het stuit op een ondoordringbare laag. Hier vormt zich dan een aardolieveld(je). Zes kilometer zand, grind en klei hoopt zich natuurlijk niet in een paar dagen op. De aardolie in Nederland bevindt zich in zandsteenlagen die wel tot 120 miljoen jaar oud kunnen zijn.
De precieze samenstelling van aardolie verschilt per bron. Dat is natuurlijk maf, want bij de benzinepomp tanken we allemaal dezelfde geraffineerde benzine. Zo heb je zwarte dikke olie, maar ook kleurloze en zeer vloeibare olie. Alle olievarianten van zwart tot helder, met alle er tussen liggende bruin- en geeltinten worden wel ergens op de wereld opgepompt. Het zwavelgehalte, de zuurgraad en de rondzwervende metalen dragen nog eens bij aan de diversiteit in de soorten olie. Het idee van zwarte spuitende olie is dus een beeld dat eigenlijk helemaal niet klopt. Het zwarte goud is dus toch niet zo zwart, maar soms "gewoon" goudgeel.

Trilobieten
Tijdens het Paleozoïcum, dat liep van het Cambrium tot het Perm (251-542 milioen jaar terug), lag Nederland nog op het zuidelijk halfrond ergens ter hoogte van het huidige Argentinië. Veel dat nog zou komen moest zich nog ontwikkelen, maar de zee krioelde in ieder geval al van het leven. Een algemeen voorkomende soort uit die tijd, die ook veelvuldig als fossiel gevonden wordt, is de Trilobiet. Doordat we dit fossiel zo vaak aangetroffen hebben is er heel veel bekend over deze groep geleedpotigen. Er zijn meer dan 1500 trilobietengeslachten bekend, met vele duizenden soorten. Door hun grote vormenrijkdom zijn ze interressant voor de wetenschap. Bovendien zijn ze gewoon heel erg mooi van vorm. De gelijke delen, de driedeling in lengte en breedte van het organisme en de detailering van de fossielen maken ze grafische kunstwerkjes van de uitgestorven natuur.
Iets wat er bij Trilobieten uitspringt ten op zichte van andere fossielen is de aanwezigheid van facet(achtige)ogen. Trilobieten hadden net als insecten facetachtige ogen. De ogen van de Trilobieten zijn het oudst bekende visuele systeem en de eerste goed ontwikkelde zintuigen. Omdat er na fossilisatie weinig overgebleven is van de interne structuren van de ogen is er weinig bekend over de feitelijke opbouw. Alleen de harde lenzen van calciumcarbonaat zijn overgebleven. Men onderscheidt zogenaamde holochroale en schizochroale ogen. De meeste ogen van trilobieten waren holochroaal, ze hadden meestal ronde lenzen die allemaal in contact stonden met een enkel hoornvliesmembraan. Holochroale ogen zijn de meest primitieve ogen bij de trilobieten en waren waarschijnlijk enkel om in een breed gebied beweging waar te nemen en onderscheid tussen licht en donker te maken. Schizochroale ogen waren uniek en komen bij geen andere nu nog levende groep voor. Bij deze schizochroale ogen zijn de lenzen groter en gescheiden van elkaar. Dat resulteerde in een groot oog met de mogelijkheid om de blikvelden per lens te laten overlappen. Bij zulke ogen was het waarschijnlijk mogelijk om gehele beelden te vormen en diepte te zien in een straal van 360°. Om deze redenen kwamen deze typen ogen voornamelijk voor bij trilobieten die leefden in zwak licht. Bij trilobieten die op grote diepten leefden hebben de ogen zich nauwelijks ontwikkeld en aangenomen wordt dat deze soorten volledig blind waren.
Meerdere massa-extincties maakten een einde aan de grote familie van de trilobieten. Ergens hoop ik dat onderzoekers van deze verloren gewaande groep zeedieren nog ooit levende verwanten zullen terugvinden. Dat dat niet onmogelijk is heeft de coelacant wel bewezen. Bovendien wordt geschat dat we ongeveer 47.700 soorten uit de zee nog niet kennen. Er is dus nog hoop voor deze prachtige prehistorische wezens. Nu enkel nog een onderzoek naar de ongeveer 1400 km3 zeewater en de bodem eronder.
Verdiep je verder in de wondelijke trilobieten
Barnstenen tranen
Dat barnsteen versteende dennenhars is weet nu zowat iedereen. Maar zoals wel vaker met mooie materialen zijn er ook mooie verhalen te vertellen. Het feit dat er veel insecten in barnsteen worden aangetroffen ontging ook de Romeinen niet. Zij verklaarden dit door aan te nemen dat barnsteen vloeibaar was toen het de insecten bedekte. Helemaal goed dus (slimme jongens die Romeinen). De Grieken hielden er echter een veel meer poëtische verklaring op na.





