De Dodo (Raphus cucullatus) was een loopvogel die leefde in de bossen op het eiland Mauritius. Het dier was ongeveer een meter hoog, woog 20 kilo en kon venijnig van zich afbijten met zijn grote snavel. Verder was het schijnbaar een vrij hulpeloos geval dat niet kon vliegen. Zijn voedsel bestond uit zaden en vruchten. De eerste vermelding van de dodo kwam in 1507 van Portugese zeelieden. Het eiland (nu Mauritius) was toen nog onbewoond en werd enkel aangedaan om vers water en voedsel te zoeken.

Van de Dodo zijn tekeningen, beschrijvingen en schilderingen. Ook zijn in meerdere musea botten, poten, schedels en zelfs een ei verspreid. Wat echter ontbreekt is een compleet opgezet exemplaar. Dat was er zeker wel, maar in de zeventiende eeuw was er weinig bekend over het opzetten van dieren. Meestal werden de beesten gewoon volgepropt met stro. Zo moest het Ashmolean Museum te Oxford op 8 januari 1755 een complete opgezette Mauritius-dodo, die al vanaf 1656 in de collectie opgenomen was, vernietigen omdat er de mot en rot in zat. Enkel de kop en een poot werden gered. Ook in de collectie van keizer Rudolf de tweede in Praag is een opgezette dodo aanwezig geweest. Waarschijnlijk zijn er ook in Nederland opgezette dodo’s geweest. Het eiland was immers van de Nederlanders. Het is niet bekend waar deze overblijfselen van de dodo zijn gebleven. Grote kans dat ook deze weggerot zijn. De houdbaarheidsdatum van de vogel was natuurlijk ook al een tijd verstreken…