Versteend woud

In Griekeland "staat" het versteende woud van Lesbos , in Namibië het versteende woud van Khorixas, op Java het versteende bos van Krakatau, in Hongarije het moerascipressenbos van Bukkabrany en in Arizona het Petrified Forest National Park. En dat is dan nog maar een greep uit het totale stenenbos-aanbod. Het lijkt wel alsof de wereld vol staat met versteende bomen, zo niet bossen. Nou nee dus, maar de overgebleven fossielen van de tropische wouden van de prehistorie komen wel op meer plaatsen voor dan ik ooit gedacht had.
Nu moet meteen gezegd worden dat de meeste van de gevonden exemplaren helemaal niet meer staan, maar gebroken op de bodem liggen. Het betreft namelijk bomen die door plotselinge, kortstondige gebeurtenissen begraven zijn geraakt. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld een overstroming een vulkaanuitbarsting of door een zandstorm. Niet de minste gebeurtenissen dus.
De stammen, meegevoerd, afgebroken door het natuurgeweld werden bedekt met slib, modder of vulkanische as. Door dit afsluitende deken werden de dode bomen niet meer opgeruimd door schimmels of insecten en kon het fossilisatie-proces beginnen. Met het grondwater aangevoerde mineralen vervingen daarbij geleidelijkaan de organische structuur van de boom, waarbij de kenmerken van de houtstructuur soms in detail bewaard bleven. Het mooiste wat er met een boom kan gebeuren is dat opaal de structuur van de boom vervangt, maar vaak is door uitdroging in een latere fase van de verstening de steensoort veranderd in kwarts of afgeleidden daarvan. Door de vele lagen die op de bomen terecht kwamen en door opwaartse krachten die er uiteindelijk voor zorgden dat de stammen weer bloot kwamen te liggen, braken de stammen in stukken. De erosie van wind en water hebben ervoor gezorgd dat de versteende wouden weer het daglicht zagen. Gebroken, maar gehard na hun lange reis.

Art nouveaux

Zoals je tegenwoordig er bij hoort met een Ipod in je oor zo was in het art nouveau-tijdperk (1890 - 1910) een gehoorbuis volgens de laatste mode een item waar je mee gezien kon worden. Veel van zulke buizen werden uitgevoerd in zilver, met een glazen of ivoren oorstuk. De uitgang van de toeter was vaak prachtig versierd met een hekwerk van krullerig gebogen lijnen en ook de buitenkant was bij sommige modellen buitensporig versierd. Mooi vakmanschap is het zeker. Waar een modern gehooraparaat het moet hebben van fantastische techniek, hebben deze gehoorbuizen een hoog artistiek gehalte. Dat de trompet door al deze decoratieve versieringen niet beter ging werken zal wel tegen dovemansoren gericht zijn geweest.
Leg je oor te luisteren bij Phisick, een site over historisch medische aparatuur.

Hartverwonderend


 




De creaties van de française Lyndie Dourthe zijn een smeltkroes van verschillende stijlen. Aan de ene kant is er de vintage stijl, met de oude voorstellingen, de labels en de glazen stolpen en verzameldoosjes waar ieder rariteitenkabinet zich mee tooit.

Daarnaast is er de lieflijke kleurstelling met veelal pastelkleuren zoals zacht roze en groen. Toch wordt het geheel niet kitscherig. Dat komt door de toevoeging van een snufje folklore; randjes en kantjes in juist weer volle sprekende kleuren.
Alles bij elkaar maakt het de creaties van Lyndie Dourthe delicaat en sterk tegelijk. Daarmee verbeeldt ze met grote precisie de essentie van haar creaties. Het is in één woord; Hartverwonderend.
Kijk verder op de site van Lyndie Dourthe

Blaschka

Blaschka was een glasblazer. En niet zomaar een. Zijn specialiteit was het blazen van anatomische modellen. Stel dat je aan studenten wilt laten zien hoe een kwal er uitziet. Er is niet altijd een levend exemplaar voorhanden en bewaren is nauwelijks mogelijk. Daarom kun je er beter een model van maken, van papier-maché bijvoorbeeld. Of nog mooier: van glas. Omstreeks 1880 waren de glasbewerkers vader en zoon Blaschka in Dresden ware meesters in die kunst. Ze werkten met ijzerdraad en lijm. Soms gebruikten zij gekleurd glas, in andere gevallen verfden ze de modellen. Jarenlang hebben zij modellen gemaakt van ongewervelde dieren zoals slakken, kwallen, zeeanemonen en microscopisch kleine diertjes. Bij elkaar duizenden exemplaren van ongeveer 700 diersoorten. Zij waren vooral beroemd om de prachtige glazen bloemen. De modellen zijn erg gedetailleerd gemaakt aan de hand van vele anatomische tekeningen (Sommige modellen zijn gebaseerd op prenten van Ernst Haeckel) en door de bestudering van levende exemplaren. Helaas is de kunst van deze glazen anatomische modellen in de vergetelheid geraakt door betere onderzoeksmethoden en goedkopere plastic modellen.
In Nederland zijn meerdere modellen te bewonderen in het Universiteitsmuseum in Utrecht.
Meer van deze uitzonderlijk mooie modellen
(De gebruikte foto bij dit bericht is eigendom van het Universiteitsmuseum. Waarvoor dank.)

Goddelijke verhouding

Divina proportione, oftewel "De Goddelijke verhouding" is een boek van Luca Pacioli. Deze middeleeuwer schreef dit boek om een ode te brengen aan de bijzondere geometrische vormen van de natuur. Het boek gaat in op de afmetingen en andere eigenschappen van vlakke en ruimtelijke figuren. Naast de bol en de piramide zijn er ook zeer exotische figuren in het boek opgenomen waaronder de tetraëder, de dodecaëder en de octaëder. Aleen de namen maken al indruk. Daarnaast behandelt het boek de theorie over de gulden snede. Nu had Luca Pacioli een goede vriend genaamd Leonardo Da Vinci. Da Vinci, zo wat bij eenieder bekend door zijn schilderij van een glimlachende dame, maakte voor het boek van Luca Pacioli de prenten met de verschillende geometrische vormen. Nu zou Da Vinci niet Da Vinci zijn als hij deze taaie kost niet op een geheel eigen wijze tot leven laat komen in zijn prenten. Zo zijn veel van de figuren in perspectief opengewerkt alsof ze zo van het papier af kunnen rollen. Daarnaast is het gebruik van kleur niet geschuwd. Dat alles maakt dit boek wonderschoon van inhoud en uiterlijk. Luca Pacioli vatte het allemaal nog een keer goed samen, want hij was namelijk niet de eerste die een boek schreef over dit onderwerp.
Verhandelingen over de gulden snede komen we aanvankelijk alleen op wiskundig gebied tegen. De eerste die er expliciet over schreef was Euclides. Dit was een Griekse wiskundige uit de 3e eeuw v.Chr. die werkzaam was in de bibliotheek van Alexandrië. In zijn geschrift "Elementen" geeft hij de eerst bekende definitie van de gulden snede, die hij aanduidde als "extreme en gemiddelde verhouding". Zijn verhandeling over het onderwerp werd in 1509 aan de vergetelheid ontrukt door Luca Pacioli. In de Divina Proportione noemt deze de gulden snede de "goddelijke verhouding". In de categorie "Beter goed gejat dan slecht verzonnen" staat het boek Divina proportione op een hoge plaats in de ranglijst.

Op de verkeerde poot gezet






Bizar, vervreemdend en misplaatst. Het zijn maar enkele assciociaties die je kunt hebben bij opgezette dieren. De dode beesten, opgezet in hun originele vel, met glazen ogen en volgestopt met lichaamsvreemd vulsel. De een kan er de schoonheid niet van inzien, de ander roemt juist de veelzijdigheid van het dierenrijk wat opgezet zo goed te bewonderen is.
Zoals bij alles zijn er natuurlijk ook extremen. Er zijn meerdere kunstenaars geweest die aan de haal zijn gegaan met opgezette beesten. Door ze opnieuw te asembleren (ze moesten toch al binnenste buiten om opgezet en gevuld te worden) voegden ze een nieuwe dimensie toe aan voor ons overbekende dieren. Zo onstond de Varkensgaai, een olifant die op z'n slurf balanceert, een Giraf-eland (of is het een Eland-giraf?) en andere vreemde hybride wezens.
Zielig? Ach, ik vind het wilde zwijntje dat door een kunstenaar voorzien werd van ziekenhuisbandages veel zieliger. Mooi? Van de buitenkant wel. Toch roepen de samengestelde wezens een diep gevoel van misplaatstheid op. Moeten we wel alles naar onze hand willen zetten? Als deze wezens/monsters niet "kunnen", waar ligt dan de grens? De kunstenaars maken voor mij duidelijk dat we nu zonder na te denken afstevenen op een onomkeerbare manipulatie van onze leefomgeving. Met andere woorden: De slaap van de rede brengt monsters voort (naar een prent van Francisco de Goya). Word wakker.
Kijk en vergelijk de verzamelde wonderdieren.

Vervallen gevang

Eastern State Penitentiary is een oude gevangenis. En dan met de nadruk op oud. De verf bladdert er van de muur en alles is even roestig en vervallen. Toen ik het voor het eerst zag kreeg ik een sterk déja vu-gevoel. Dit lijkt qua sfeer wel heel erg op de wachttorens voor de kust van Engeland. Wederom gaat het om een versleten bouwsel met een sterk marante vorm (het gebouw vormt met haar lange gangen een stervorm) die, door de tijd aangetast, haar vergankelijkheid in alle zachte kleuren van ontbinding toont. Je zou bijna vergeten dat Alfonse “Scarface” Capone hier jarenlang een vaste "gast" was.
Kijk eens rond of bekijk een mooie fotosessie van het gebouw.

Navigatie

Zeg nou zelf, is het navigatie-instrument hiernaast niet vele malen mooier dan die grijze Tom Tom die in vele auto's tegenwoordig de weg wijst? Niet dat ik iemand wil aanraden om een zonnewijzer met kompas voor in de auto aan te schaffen, maar een mooi ding blijft het. Het glimmende brons, de zwierige letters en de ondoorgrondelijke aanduidingen en tierelantijnen maken oude navigatie-instrumenten tot een feest om naar te kijken. Wie wil er nou niet een kompas ingelegd met walrustandivoor of een ingwikkeld navigatie-instrument dat totaal nutteloos is op de ene breedtegraad, maar bij een andere graad heel nauwkeurig werkt? Ik kan er in al mijn onkunde enkel met grote verwondering kennis van nemen, maar dat er zeelui mee gewerkt hebben, ja zelfs van afhankelijk waren, dat is iets wat zeker is. Navigatie op zon en sterren was (zeker op wat langere reizen) van levensbelang. Een handelsreiziger moest z'n specerijen nu eenmaal in India gaan halen en niet op het atol Hitadou in de buurt of (helemaal uit koers) in het altijd mooie Tasmanië. Dan heb ik het nog niet over allerlei onprettigheden zoals water- en voedselgebrek of de altijd vervelende ziektes scheurbuik en buikloop die de zeelui de kop kon kosten als ze verkeerd zouden varen.
Hoe de verschillende navigatie-instrumenten allemaal tot stand kwamen en werken laat ik over aan hèt museum over deze materie; The national Maritime museum. Dit museum, met een wondermooie collectie, is gevestigd op de nulmeridiaan van de wereld in het plaatsje Greenwich. Dit museum slaagt er in je mee te voeren in deze wonderlijke wereld. Dus; "twee graden stuurboord en volle kracht vooruit". Op naar de horizon!

De T van tegel

Thee is niet iets van de Engelsen. Lang voordat thee per schip naar Europa kwam, was er al theehandel tussen aziatische landen, Rusland en Turkije. De thee werd sinds de Tangperiode (618 - 906 voor het begin van onze jaartelling) vervoerd per kameel via verschillende karavaanroutes over land. Omdat de ruimte beperkt was werd de thee zo compact mogelijk verpakt. Het resultaat: De theetegel. Voor zo`n tegel werd bijna 2 kilo thee gestoomd, al dan niet fijngemalen en vervolgens geperst tussen twee stenen zodat een keihard plat blok ontstond. Door de dichtheid van de tegel kon de thee geen vocht opnemen, maar ook niet uitdrogen. Hierdoor was zo’n tegel erg lang houdbaar. Soms voegde men bindmiddelen aan de tegel toe, zoals bloed. De theetegel werd bij het persen aan beide kanten voorzien van een reliëf: aan de voorkant een mooie aziatische voorstelling, aan de achterkant een vlakverdeling. Deze vlakverdeling was handig tijdens de handel die onderweg plaatsvond. Thee had in die tijd dezelfde waarde als menig edelmetaal en de theetegels werden dan ook gebruikt als betaalmiddel in o.a. China, Tibet, Mongolië en Siberië. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw is de theetegel een wettig betaalmiddel geweest in Tibet en in de uithoeken van het Chinese rijk.
Dan het maken van de thee. Dat is niet het engelse bakje “slap-aftreksel-met-wolkje-melk-en-de-pink-in-de-lucht”, dus je bent gewaarschuwd. Een stuk van de theetegel wordt afgebroken en vermalen. Het poeder wordt 3 tot 4 minuten gekookt in water tot er een brouwsel ontstaat dat net zo sterk is als een straffe espresso. Da’s natuurlijk ondrinkbaar, dus wordt er logischerwijs meer kokend water, (yak)boter en (zuiverings)zout bij gedaan. Afhankelijk waar je bent worden er nog rijst, uien, gember of sinaasappelschil aan de thee toegevoegd. Dit geheel wordt geroerd tot de boter helemaal is opgenomen. Daarna giet men het zachtroze mengsel door een zeef. Het gefilterde brouwsel wordt geserveerd in een kom. Echt een geval van “appart” zou ik willen zeggen. Ondanks het, naar westerse maatstaven, discutabele brouwsel blijft de theetegel zelf een bijzonder en origineel product. Daarmee vergeleken is de engelse thee maar een slappe slok.

Pedalternorotandomovens

Eigenlijk was het de bedoeling om iets te schrijven over Maurits Cornelis Escher, de kunstenaar die voornamelijk bekend werd door zijn onmogelijke tekeningen waar alles lijkt te kloppen, maar dat tevens niet doet en door de bijzonder mooie vlakverdelingen waar het ene dier in het ander overgaat. Bijzonder, verwonderend en curieus, maar toch gaat dit verhaal over de Pedalternorotandomovens centroculatus articulosus van Escher. De Pedalternorotandomovens centroculatus articulosus, ook wel bekend onder de naam Wentelteefje, is een diertje dat zich rollend voortbeweegt. Volgens M.C. Escher zelf is het dier ooit vanzelf ontstaan uit onvrede over het afwezig zijn van levende wezens die zich rollend voort konden bewegen.

Met zijn ver uitstekende ogen kijkt het wezen nieuwsgierig de wereld in. De zes voeten zijn goed om trappen te lopen, maar als de grond maar even recht is rolt het ding zich op tot een stevig wiel en gaat er vandoor. Met zijn stevige snavelbek en hoornen geledingen lijkt ie wel tegen een stootje te kunnen. Het is eigenlijk jammer dat Escher zijn wentelteefje niet vaker heeft getekent of beschreven, al is dat wellicht meer voer voor een schrijver dan voor een tot groot kunstenaar uitgegroeide graficus.

Bekijk hier het werk van M.C. Escher

Impatiens glandulifera

Springbalsemien oftewel impatiens glandulifera, is echt een plant die ongeduldig wacht tot er iemand z'n zaden laat knallen. Als de rijpe vruchten worden aangeraakt, splijt de zaaddoos in vijf gelijke delen uiteen, raakt de hele boel binnen een fractie van een seconde aan de onderkant los en worden de zaden als bij een middeleeuwse katapult weggeslingerd.

Maar genoeg techniek. Springbalsemien is echt een verassingsplant. De lol van het aantikken van de bolle zaaddozen, waarbij het altijd een verassing is of ie helemaal uit elkaar knalt, of enkel opkrult, geeft een fantastisch kinderlijk schrikgevoel. Heerlijk. De zoete geur van de Springbalsemien "begeurt" je handen (zoals een gedicht op internet vermeld) en geeft ook de volwassenen weer heerlijk kinderlijke pretogen. Springbalsemien is voor mij dan ook de spring-in-het-veld onder de planten.

Bijproducten

Dat bijtjes in zwermen en rijtjes helemaal geen honing uit een kelk zuigen was een bij vele al bekend. Herman van Veen bedoelde natuurlijk nectar, maar dat is zo'n moeilijk woord en onbekend bij kinderen. De nectar en stuifmeel dat de bijen verzamelen zetten die vlijtige insecten om naar enkele producten die we allemaal (van groot tot klein) kennen. Bijenwas en natuurlijk honing. Echte Bij-producten.
Als was was was, was was was. Maar daar heb je niets aan als je wilt weten hoe die was nu eigenlik ontstaat. Nu, een bij eet nectar en stuifmeel. Dit beland in de maag van de bij en twintig uur later breekt bij de bij het zweet uit. Et voilà; ruwe bijenwas. De was die uit acht zeer kleine wasklieren aan de onderzijde van het achterlijf uit de bij gekomen is is eerst nog kleur- en geurloos. De bij neemt het uitgezwete spul in haar bek en kauwt het dan met toevoeging van wat speeksel tot een korreltje. Een korreltje was. Duizenden van zulke korreltjes op elkaar geplakt vormen een raatwerk van zeshoekige raten die pas na enige tijd door inwerking van honing en stuifmeel de gele kleur en de heerlijke geur van de bijenwas verkrijgen.
Weer even terug naar de bijen en de nectar die ze in zwermen en rijen uit de bloemkelken halen. De bijen zuigen de nectar uit de kelk van de bloem en bij aankomst in de bijenkorf wordt de nectar afgegeven aan andere bijen die de nectar omzetten met enzymen naar honing. Hiervoor wordt de nectar meerdere keren “opgekotst”. Hierbij komen er steeds wat meer enzymen bij de nectar waardoor deze fementeert en vocht verliest. Eigenlijk is hetgeen wij zo enorm smakelijk vinden bijenbraaksel. Het is maar dat je het weet. De honing die uiteindelijk door de werksters opgeslagen wordt heeft door de "herkauw"-behandeling" een vele male zoetere smaak gekregen dan de oorspronkelijke nectar. Na het opslaan rijpt de honing en wordt het bijzondere goedje beter bestand tegen bederf. Daarmee is de honing slingerklaar voor de imker.
Bekijk hier een instructiefilmpje van Bert Vischer over honingslingeren (en gratis en voor niets ook uitleg over de wondere wereld van de filatelie)

Dogtroep

Soms raak je iets kwijt waarvan je bijna zeker wist dat het er altijd zou blijven. Het gezelschap Dogtroep is een van die dingen. Iedere keer zag ik het grensverleggende werk van deze groep langskomen en dan wilde ik dat ik erbij geweest was. "Genoeg tijd" zei ik dan tegen mezelf, "het komt nog". Helaas kwam het er niet meer van. En nu is Dogtroep niet meer. Niets is voor eeuwig, ook dromen niet. Bekijk hier de site van Dogtroep
Bekijk hier filmpjes van Dogtroep

Gehaakt zeeleven

Gehaakt zeeleven. Hoe kom je erop? Hoe Helle Jorgensen er bij kwam om koraal te gaan haken is mij niet bekend, wel dat ze het zeker niet onverdienstelijk doet. Hierboven zomaar een greep uit hetgeen ze ooit maakte. De koralen, anemonen en wieren zijn niet enkel wonderlijk mooi van vorm, ook de kleuren doen sterk denken aan warme tropische koraalriffen met warm blauw water en witte stranden. Ik heb ooit een groot stuk koraal gekregen dat op de 2e kans belandde omdat ik er steeds m'n vingers aan openhaalde als ik het wilde verplaatsen. Helle Jorgensen zorgt er echter voor dat haar creaties zeer aaibaar zijn. Met andere woorden Ik vind haar gehaakte kunst werkelijk:
Super-formi-weldig-einde-fanta-kolos-achtig!
Blijf eens haken bij Helle Jorgensen.

Curiosity is good

Soms kom je van die uitspraken tegen die dusdanig goed verwoorden wat je wilt zeggen dat zwijgen op z'n plaats is.
Curiosity is seen as futility. However, I like the word; it suggests something quite different to me. It evokes “care”; it evokes the care one takes of what exists and what might exist; a sharpened sense of reality, but one that is never immobilized before it; a readiness to find what surrounds us strange and odd; a certain determination to throw off familiar ways of thought and to look at the same things in a different way; a passion for seizing what is happening now and what is disappearing; a lack of respect for the traditional hierarchies of what is important and fundamental. I dream of a new age of curiosity.
Michel Foucault in an interview with Christian Delacampagne, Le Monde, 6./7. April 1980. Met dank aan http://mappingthemarvellous.wordpress.com/

Haarwerk

Herdenken van de dode geliefden doen mensen al zolang we hier op deze aardkloot rondlopen. Om binding te houden met de dierbare is een haarlok zeer geschikt. Het gebruik van menselijk haar voor herdenkingssieraden is dan ook een eeuwenoud gebruik. Een sieraad van haar heet een haarwerk. Een haarwerk kon heel simpel zijn met een lok haar in een hanger of een met haar omkranst portret. Aan het eind van de 18de eeuw begint echter een bloeiperiode met zeer kunstzinnige haarwerken. Simpele ontwerpen maakten plaats voor hele landschappen in haar en ingewikkelde fantasiebloemen. De haarschilderijen waren meestal gemaakt met waterverf op een achtergrond van perkament, papier, hout of zelfs melkglas of ivoor. Het haar werd geprepareerd door deze te wassen en in wijngeest (ook wel "spiritus vini" oftewel gedestileerde wijn) te koken. Hierdoor werd het haar zacht en buigzaam. Strengen haar dienden als boomstammen, slierten als de takken en fijn geknipt haar als gras en grillig struikgewas. Haarwerken werden zowel door echte "haarkunstenaars" als leken gemaakt. Met name kappers en pruikenmakers vervaardigden, zover je van een vak kon spreken, vakkundige werkjes. Ook werden er door verschillende juweliers modellenboekjes voor haarsieraden uitgegeven. De bloeitijd van haarwerken duurde tot in de tweede helft van de 19de eeuw. Daarna maakte de opkomst van de fotografie een einde aan de kunstzinnige haarwerkjes. Jammer maar helaas waren er maar weinig mensen rouwig om het verlies van de uitzonderlijke kunstvorm. Een beeld zegt meer dan duizend haren.

Alice in verwonderland

Alice in wonderland. Wie het verhaal niet kent moet zich toch echt afvragen waarom niet. Het boek is zo ongeveer vertaald naar alle talen en is door Walt Disney verfilmd. Ach, wellicht heeft er nooit iemand de moeite genomen om je dit boek voor te lezen..... Schande! Maar er is nog hoop voor diegene en iets heel bijzonders voor de mensen die het verhaal wel kennen.
Eerst een stukje geschiedenis. Lewis Carroll of beter gezegd Charles Dodgson (Lewis Carroll was een pseudoniem) schreef het boek na een bootreisje in 1882 waarbij hij Alice en Edith Liddell vermaakte met een uitgebreid verhaal over het meisje Alice dat wonderliijke avonturen beleeft nadat ze een wit konijn volgt in zijn konijnenhol. Alice (de echte bedoel ik) was zo gecharmeerd van het verhaal dat ze aan Charles vroeg of hij het voor haar op wilde schrijven. Charles deed daar in zijn kleine handschrift en inclusief tekeningen twee jaar over.
Na aandringen van familie en vrienden herschreef hij het verhaal voor een breder publiek en publiceerde het boek Allice in Wonderland onder de naam Lewis Carrol. Het boek werd, zoals bijna iedereen die van lezen houdt weet, een wereldwijd succes. Allice Liddell leefde niet in wonderland en moest, zuur genoeg, op een gegeven moment haar cadeau verkopen. Het boek belandde uiteindelijk bij amerikaanse handelaren die het als cadeau gaven aan het Verenigd Koninkrijk als dank voor de belangrijke rol van het land in de tweede wereldoorlog.
The Britisch Library is nu in bezit van het originele boek en hebben het gehele boek op internet ontsloten. Niet zomaar, maar als een echt bladerboek, dat je kunt lezen, bekijken en zelfs voor kunt laten lezen!. Het is een hernieuwde kennismaking zeker waard, want het is gewoon wonderbaarlijk mooi gedaan. Veel plezier!

ut-re-mi-fa-sol-la

ut-re-mi-fa-sol-la was de voorloper van ons do-re-mi-fa-so-la-ti-do en werd al rond het jaar 1000 door Guido d'Arezzo ontwikkelt. Deze benedictijnse monnik wordt beschouwd als een van de belangrijkste grondleggers van de muzieknotatie. Voor Guido’s uitvinding kon er uit de notatie niet afgeleid worden hoe de muziek precies in elkaar stak. De grote uitvinding van d'Arezzo is dat hij met behulp van de in zijn tijd overbekende hymne Ut queant laxis (een kerkelijke lofzang voor Johannes de Doper) een methode bedacht om de grootte van de toon eenduidig te kunnen noteren. De hymne begint iedere regel een toon hoger. Guido gebruikte de beginlettergrepen ut-re-mi-fa-sol-la als basis van zijn vastlegging. De complete hymmne-tekst en tevens ezelsbruggetje voor de vergeetachtigen onder ons luidt:
ut queant laxis
resonare fibris
mira storum
famuli tuorum
solve polluti
labii reatum
Sancte Ioannes!
Voor Guido d'Arezzo was dit einde oefening, Zijn systeem was volmaakt. Maar ja, de tijd staat niet stil. In de Renaissance kreeg de muziek meer cadans, melodie, harmonie, akkoorden begonnen een grotere rol te spelen, kortom er veranderde meer dan in Guido’s systeem paste. Omdat Guido's systeem slechts zes lettergrepen kende bedacht men daarom een zevende toon op de toonladder: S.I. , afgeleid van de enige nog niet gebruikte zin "Sancte Ioannes". Voor de “logica” werd er niet gekozen voor de eerste twee letters. Waarom is niet duidelijk. Het zal wel beter geklonken hebben volgens de heren. Om alle lettergrepen met een medeklinker te laten beginnen veranderde men een paar eeuwen later in Frankrijk de naam van 'ut' in 'do' (afgeleid van "Dominus", heer). Deze komt niet eenmaal maar tweemaal voor. Daarmee was het zesdelige stelsel van d'Arezzo verworden tot een achtdelig stelsel van toonladders (octaven). De engelsman John Curwen (1816-1880) was degene die bedacht dat van 'sol' ook 'so' gemaakt kon worden, zodat alle lettergrepen uit twee letters zouden bestaan. Deze praktisch ingestelde man verving tevens in 'si' de 's' door een 't' zodat het 'ti' werd en vanaf dat moment begonnen alle lettergrepen met een andere medeklinker. Wel zo handig. En zie daar was ie dan: do-re-mi-fa-so-la-ti-do. De geredigeerde Guidonische lettergrepen. Dat daar nooit een lied opgemaakt is is eigenlijk grote schande. Of brengen we die ode dagelijks door een deuntje mee te fluiten?
Een mooi voorbeeld van een middeleeuws muziekboek: Laborde Chansonnier 1470. (met dank aan de Rare Bookroom).

Beeldvorming

Ach wat zijn ze toch mooi, Oude vergeelde foto's gemaakt met vernuftige technieken die ik niet ga proberen uit te leggen. Zoek maar eens op internet naar fototechnieken met namen als; daguerreotype, tintype, calotype, Autochrome of Collodian. Het levert beeldschone plaatjes uit het verleden op. Dat ze versleten en verweerd zijn maakt ze in mijn ogen enkel mooier en meer bijzonder. Foto's geven weer wat we zien door de ogen van de maker. Dat levert misleidende beelden op zoals het spiegelgrapje hiernaast; een multigraph, maar ook vrolijke beelden op in het pasfotohokje. De film Amelie verandert je blik op de wereld en die van de fotografie op bijzondere wijze. Maar genoeg nostalgie. Hoe zit het met de fotografie van nu? Een beeld vormen van de fotografie van nu is eigenlijk ondoenlijk. Er is zoveel beeld dat we van gekkigheid niet meer weten waar we naar moeten kijken. Het ontdekken van die ene mooie foto is daardoor weer sport geworden. De hooiberg is immers groot genoeg. De een z'n hart gaat daarbij meer kloppen voor meer kunstzinnigge uitingen, de ander intresseert dat nou juist geen Flickr en wil gewoon zijn foto's delen met iederman en vrouw. Het is om het even. Ieder z'n eigen ontwikkeling. Ieder zijn eigen beeldvorming.

Gustav Klimt

Er is al veel geschreven over de schilder Gustav Klimt. Over zijn voorkeur voor vrouwen op en het gebruik van bladgoud in zijn schilderijen. Over zijn fantastische jugendstillstijl, zijn ongeëvenaarde manier om zijn vrouwen met gestileerde patch-workachtige kleurvlakken te bedekken, zijn grote vakmanschap, gevoeligheid en fijne vloeiende lijnenspel van zijn werk vol symboliek. Natuurlijk is er ook veel geschreven over zijn beroemste schilderij, 'De kus', waarin een grote man, gekleed in een sjieke kamerjas, een vrouw innig omhelst.
Wat echter onderbelicht blijft zijn zijn poëtische, mysterieuze landschappen en tuinen die hij vanaf 1898 in de zomermaanden op het Oostenrijkse en Italiaanse platteland maakte. Klimt ontwikkelde hier een ander soort van stijl en compositie. Hij verschoof naar een stijl die steeds meer gebaseerd was op de patronen van de natuur. Hierbinnen wordt de ruimte nog wel georganiseerd door een veelheid aan penseelstreken. Dat laatste lijkt natuurlijk erg veel op Impressionisme, maar het is bij Klimt wel heel anders qua uitvoering. Iedere penseelstreep is iets en een deel van een groter geheel. Dat maakt het ondanks het onbreken van omlijningen een strak en helder geheel. Hier draagt ook het gebruik van heldere kleuren aan bij. Qua compositie veranderde vooral het gezichtspunt. Het geschilderde, zoals een veld, een bloemenhaag of een bos, duwt als het ware de hemel van het doek. Dat levert een intens en compromisloos gezichtspunt op, waardoor de kijker gedwongen wordt om de ongelooflijke rijkdom van het geschilderde in zich in te laten werken. Hetgeen dat in eerste instantie chaos leek blijkt bij nadere beschouwing opgebouwd uit een veelheid van penseelstreken waarbij deze de strijd aangaan met de natuurlijke chaos. Daarmee schept Klimt helderheid en vraagt tegelijkertijd aandacht voor de details die de natuur om ons heen bevat en ons omvat. Zijn boodschap; "Het leven is fantastisch!" En zo is het.

Follies

Engeland en follies is net zoiets als Nederland en molens. Waar Nederland vol staat met vele soorten molens voor wind en water, daar wemelt het op de statige engelse landgoederen van de follies. Follies (van het Engelse folly: gekheid, idioterie, jolijt) zijn echter, in tegenstelling tot de Nederlandse molens, helemaal niet nuttig. Een follie is dan ook een bouwwerk dat vooral decoratief van aard moet zijn. Omdat de smaken daarover nogal verschillen lopen de gebouwde follies uiteen; van met voorbedachte rade gemaakte ruïnes tot chinese pagodes. Bloeitijd van de follie begon aan het begin van de 17e eeuw en zou daarna nog ruim 200 jaar aanhouden. Een maf gebouw in de achtertuin is schijnbaar van alle tijden, de populariteit van de engelse landschapsstijl hielp natuurlijk ook een handje. Met name in de negentiende eeuw was het een 'mode' om op een landgoed enige romantische elementen te laten bouwen. Het enigste wat de klant moest doen, was uitzoeken welk bouwwerk of andere decoratief element opgenomen moest worden bij de aanleg van het landgoed. Hiervoor waren speciale tuinboeken op de markt. Hierin stonden naast de genoemde folly's ook tuin- en laanontwerpen en andere decoratieve elementen zoals poorten en beelden. Een 18e eeuws staaltje "u vraagt, wij draaien". Heel handig voor de dik in het geld, maar niet in de vrije tijd zittende landgoedeigenaar.
Dat follies enkel decoratief zijn klopt niet helemaal. Zo is de toren op de ingelijste foto ook in gebruik geweest als eenpersoonswoning. Andere follies waren in gebruik als jachttoren voor de jaarlijkse drijfjacht of als schuurtje van de tuinman, die z'n gereedschap ook ergens kwijt moest. Voor de follie-liefhebber is Engeland "the place to be". De meeste Follies zijn er te vinden en ze hebben er zelfs een waar Folly-liefdadigheidsgenootschap: The Folly Fellowship
Nuttig of niet, voor mij zijn ze wonderlijke kunstwerkjes in het landschap. En met kunst is het altijd hetzelfde; de een zwijmelt bij de schoonheid van een gracieuze schepping terwijl de ander gruwelt van zo'n gedrocht van een ding. Voor meer voorbeelden en verhalen over folly's.

kroontjespen

De kroontjespen blijft toch wel een van de mooiste schrijfmaterialen. Niet de handigste met het dopen in de inkt, het vlekken en de beperkte schrijftijd, maar de mooiste vanwege het schrijfresultaat. Door de druk op het papier wordt de emotie van de schrijver in de geschreven tekst gelegd. De lijnen zijn daardoor niet allen gelijk, maar dan weer dik, dan weer dun. Oorzaak van deze mooie afwijking is de gespleten, scherpe punt die iets verder open gaat staan als er meer of minder druk op uitgeoefend wordt. Het nodigt uit om de letters te laten krullen en dat was dan ook lang het ingeburgerde schoonschrift. Voor mensen van nu redelijk onleesbaar, maar wel machtig mooi.
De kroontjespennen-industrie (ja die bestond ooit werkelijk) was in zijn hoogtijdagen gecentreerd rond Birmingham in Engeland. Ene John Mitchell was de slimmerik die het machinaal vervaardigen van kroontjespenpunten uitvond en daarmee de beschikbaarheid van dit in 1803 uitgevonden schrijfmateriaal voor iedereen toegankelijk maakte. De veren die tot dan toe schrijfmateriaal nummer 1 waren, verloren door de opkomst van de kroontjespen snel terrein. Hele volksstammen leerde ( of deden een popging om) te schrijven zonder er een knoeiboel van te maken. Dat laatste en het constante dopen in de inkt moest toch anders en uitvinders verzonnen dan ook de meest inventieve dingen om dit probleem te tackelen. Door de uitvinding van de vulpen en later de balpen, werd de oplossing gevonden voor de zwakheden van de kroontjespen. Hierdoor was de kroontjespen en daarmee ook het krullerige schoonschrift hetzelfde lot beschoren als de schrijfveer. Dat had in 1850 niemand kunnen bedenken. Ontkroond als schrijfmateriaal leeft de kroontjespen nu voort als favoriet tekenmateriaal voor illustrators en kunstenaars. Wie schrijft die blijft. Daar tekent de kroontjespen voor.

Zwart goud

Je hebt aardolie en aardolie.
Olie wordt gevormd uit de resten van plankton en ander klein zeeleven dat na afsterven op de zeebodem terecht gekomen is. Normaal gesproken verteert het daar, maar als er op de zeebodem geen of heel weinig zuurstof aanwezig is, wordt het rottingsproces door bacteriën sterk geremd. In de loop der tijd komen er grote hoeveelheden zand, grind en klei over de laag te liggen en wordt het soepige bezinksel omgezet in een vaste laag. Naarmate er meer aardlagen worden afgezet, neemt de druk en de temperatuur in de laag toe. Als de laag uiteindelijk is bedekt met één tot zes kilometer sediment en de temperatuur tussen de 50 en 150°C is opgelopen, kan het proces van olievorming beginnen. Vooral de vetten uit het voorheen plantaardige materiaal worden omgevormd tot aardolie. Aardolie is veel lichter dan vaste steen en water en drijft dus naar boven tot het stuit op een ondoordringbare laag. Hier vormt zich dan een aardolieveld(je). Zes kilometer zand, grind en klei hoopt zich natuurlijk niet in een paar dagen op. De aardolie in Nederland bevindt zich in zandsteenlagen die wel tot 120 miljoen jaar oud kunnen zijn.
De precieze samenstelling van aardolie verschilt per bron. Dat is natuurlijk maf, want bij de benzinepomp tanken we allemaal dezelfde geraffineerde benzine. Zo heb je zwarte dikke olie, maar ook kleurloze en zeer vloeibare olie. Alle olievarianten van zwart tot helder, met alle er tussen liggende bruin- en geeltinten worden wel ergens op de wereld opgepompt. Het zwavelgehalte, de zuurgraad en de rondzwervende metalen dragen nog eens bij aan de diversiteit in de soorten olie. Het idee van zwarte spuitende olie is dus een beeld dat eigenlijk helemaal niet klopt. Het zwarte goud is dus toch niet zo zwart, maar soms "gewoon" goudgeel.

Paddestoelen

Met paddestoelen kun je alle kanten uit, ook de verkeerde. Muurschilderingen uit Pompei laten zien dat de Romeinen eekhoorntjesbrood, cantharellen, champignons en truffels aten. De schimmelige vruchtlichamen werden nog niet gekweekt, maar geplukt in de vrije natuur. Dat mag tegenwoordig niet meer. Het kookboek van Apicius is geschreven door de Romein Apicius. Hij jaagde zijn gehele fortuin er doorheen om van allerlei recepten te verzamelen en uit te proberen. Zijn gastronomische boeken bevatten heel veel fantastische recepten, waaronder natuurlijk ook enkele recepten voor paddestoelen:
Elfenbankjes Fungi farnei
Dressing bij Elfenbankjes In fungis farneis
Eekhoorntjesbrood Boletos aliter Truffels Tubera
Dat de romeinen ook goed wisten welke paddestoelen dodelijk giftig waren ondervond Keizer Claudius aan den lijve; hij werd met paddestoelen in zijn eten vergiftigd.
Met paddestoelen kun je alle kanten uit. Paddestoelen doen dat zelf ook. Op deze manier ontstaan
de heksenkringen. Paddestoelen werden door de Germanen al als geheimzinnig beschouwd, omdat ze ogenschijnlijk 's nachts verschenen en geen voedsel nodig hadden. De mysterieuze cirkels waarin de paddestoelen soms groeiden werden gezien als plaatsen waar heksen hun rituelen uitvoerden. Ach, mischien waren we hier gewoon een beetje zwaar op de hand. Heksenkring krijgt vertaald naar het Engels een veel prettigere betekenis: fairy circle. Men geloofde dat de paddestoelen in de voetstappen van in een kring dansende feeën ontsproten. Ik zie het zo voor me.
Meer paddestoelprenten hier

Related Posts with Thumbnails