oerglansrijk
Nooit geweten, maar er zijn ook gekleurde fossielen. Dan bedoel ik werkelijk kleurig van zichzelf en niet vanwege het materiaal wat de plek van het oorspronkelijke wezen heeft ingenomen, zoals bijvoorbeeld met opaal of pyriet wel het geval is. Het bijzondere van de kleurrijke insectenfosielen, (want daar heb ik het over) is het feit dat de structuur waar deze insecten hun kleur aan te danken hebben bewaard is gebleven. Eerder legde ik al uit dat de structuur van bijvoorbeeld vlindervleugels bepalend is voor de kleuren die ze reflecteren. Dat kunststukje blijkt dus al heel oud. De kevers waar het om gaat zijn meer dan 20 milioen jaar oud en het enige dat veranderd is is dat de structuur een beetje gedeukt is. Daardoor kleuren deze oudjes net wat roder dan ze waarschijnlijk ooit geweest zijn. Ik vind het een gezonde blos voor zo'n oude beestjes. Zo komen fossielen in een wat minder bruin-grijs daglicht te staan.
Ruven Afanador bijzondere foto's
Een beetje vreemd, maar wel erg mooi. Zo laten de (mode-)foto's van Ruven Afanador zich het beste typeren. Het bijzondere is vind ik dat de beelden op een smaakvolle manier overdadig zijn. Het zit 'm in de omgeving, maar ook in de kleur van het geheel. Het klopt gewoon. Daardoor nodigen ze uit om eens goed te bekijken. Niet enkel deze serie met schedels en wasmodellen is erg mooi. Ook andere settings zoals een Barok kasteel of een sixties-keuken zijn van een grote schoonheid.
gesneden hoorn
Toen ik begon met het schrijven van dit verhaal was ik in de veronderstelling dat hoorn, gewei en ivoor een en het zelfde materiaal betrof. Mooi niet dus. Hoorn en gewei is nooit ivoor, want ivoor komt enkel uit (slag)tanden voort. Behalve de narwal dan dacht ik, want die heeft een hoorn van ivoor. Weer mis. De "hoorn" van een Narwal is wél van ivoor want het is een ver uitgegroeide slagtand (meestal de linkse), geen hoorn dus. Hoorns van ivoor komen enkel in de mythologie voor. Bij eenhoorns.
Ivoor bestaat uit dentine, ofwel tandbeen. Hoorn bestaat uit keratine. Uit dat materiaal is de hoorn van de neushoorn opgebouwd, maar ook je nagels. Dus hou op met neushoorns afslachten en ga nagels bijten. Gewei ligt in dezelfde lijn als ivoor en hoorn, maar bestaat voornamelijk uit collageen, iets wat in de plastische chirurgie weer veel gebruikt wordt om slap vel mee op te vullen.
Genoeg over de verschillen. De overeenkomsten zijn evident. Van mamoetjager tot walvisvaarder en van eskimo tot afrikaan, allen wisten ze de bijzondere eigenschappen van de materialen te benutten om de meest fantastische kunststukjes van te snijden. Van ivoor tot gewei werden drinkbekers, beeldjes, hoorns om op te blazen, fluitjes, biljartballen en nog vele andere voorwerpen gemaakt. Het is vakmanschap ten top. Het mooist vind ik de gebruiksvoorwerpen met een ingekerfde tekening. Van een ongelooflijke schoonheid. Bijkomend voordeel is dat het materiaal zeer duurzaam is. Tenzij een knaagdier haar mineralenvooraad met je kunstwerk aanvult door het op te peuzelen natuurlijk....
richtingaanwijzer: navigatie instrumenten
kauwgomkunstwerk

Het is kleurrijk en plakt aan de stoep. Rara? Kauwgomkunst. Ja, je leest het goed: kauwgomkunst. De Londense kunstenaar Ben wilson beschilderd kauwgom op de stoep. Waarom? Omdat de stoep er mooi van wordt en een ergelijke plakkauwgom een stukje vrolijke kunst. Ook is het een tegenreactie op de vele reclameuitingen die ons leven meer bepalen dan een mooi stukje kunst.
zwangerschap
harige vis
Het lezen van dit verhaal kan u op het verkeerde been zetten, al kan dat van de vis in kwestie niet gezegd worden.
De bont dragende forel is een soort van vis die een dikke laag van bont bezit om zichzelf in de koude wateren waar het leeft warm te houden. Deze bontvissen worden hoofdzakelijk gevonden in de noordelijke gebieden van Noord-Amerika, maar in het bijzonder in Canada, Colorado, Wyoming, en Montana. De soort wordt ook Beverforel genoemd.

Volgens legende, werd de bont-dragende forel voor het eerst gesignaleerd door toen Schotse kolonisten tijdens de zeventiende eeuw emigreerden naar Canada. Één van hen schreef naar huis over de overvloed aan harige dieren en vissen in het wilde land. Hij stuurde zelfs een exemplaar mee, al is dat later verloren gegaan. Bont-dragende forellen, opgezet als muurtrofeeën, kunnen nog steeds worden gevonden in het merengebied van Noord-Amerika en Canada.
Er zijn een aantal theorieën die de vachtgroei bij beverforellen verklaren, al vindt ik de haargroei-middeltheorie zelfs voor een hoax-verhaal te extravagant. De meest aannemelijke theorie richt zich op het zeer koude water waar de forel zich in ophoud. Door jaren van evolutie zou het dier zich aangepast hebben door een vacht te ontwikkelen tegen de extreme koude van de noordelijke wateren. Er zijn onderzoekers die stellen dat in de lente de bont dragende forel zich ontdoet van zijn dikke bontlaag en door het leven gaat als een normale beekforel. Dat gedrag kan verklaren waarom een met bont bedekte forel niet algemeen gevangen wordt tijdens het visseizoen.
Als dit sterke visverhaal werkelijk waar is eet ik de eerste beverforel die ik te pakken krijg met liefde en plezier met huid en haar op.
Napoleons haarlok
Je zal het maar hebben. Een tijdje terug schreef ik al iets over de ontvreemde vingers van Galileo, maar hij was niet de enige. Nadat Napoleon in 1821 op het eiland Sint-Helena overleed, werden zijn haarlokken afgeknipt. Die haarlokken werden verdeeld onder de belangstellende gevangenbewaarders als bizar aandenken aan de tijd dat ze op Napoleon "gepast" hadden. Een van de bewaarders was de Britse officier Denzil Ibbetson. Hij bracht Napoleon zes jaar voor zijn dood naar Sint-Helena, nadat hij bij Waterloo werd verslagen door een leger dat bestond uit Britten, Nederlanders en nog een heleboel huurlingen uit Hannover en Pruissen. Bij het heroverren van zijn eens uitgestrekte keizerrijk had Napoleon jammerlijk gefaald. Hij had zich de harenook wel zelf uit het hoofd kunnen trekken. De haarlok van de familie Ibbetson werd trouwens na vele jaren weer verkocht. De onbekende koper moet zich daadwerkelijk de keizer te rijk hebben gevoeld.
Archetypa studiaque patris
In 1592 publiceert Jacob Hoefnagel, dan nog slechts negentien jaar oud, in Frankfurt een boek van tweeënvijftig gravures gebaseerd op schilderijen van zijn vader. De volledige titel van het werk is: 'Archetypa studiaque patris Georgii Hoefnagelii Jacobus F. Genio duce ab ipso scalpta omnibus philomusis amict D. ac perbenigne communicat' wat vrij vertaald betekent: Originele schilderingen/tekeningen door Joris Hoefnagel, gegraveerd in koper onder leiding van zijn genie, in vriendschap voor alle liefhebbers van de Muzen door zijn zoon Jacob. Heel hoogdravend dus.Het boek bestaat uit vier delen, elk met een eigen titel-pagina en een dozijn gravures van verschillende soorten flora en fauna. De opbouw van de prenten maakt het boek zo speciaal. Er wordt niet gewerkt met een geclassificeerde opbouw, maar een opbouw naar een schijnbare* willekeur, waarbij de rangschikking van de planten en dieren (waaronder een opmerkelijke hoeveelheid insecten, slakken en ander "gespuis") belangrijker is dan een nauwkeurige weergave van de natuurlijke setting waarin ze voorkomen. Toch werden de dieren en planten in dit boek niet mooier voorgedaan dan ze waren. Dit was een belangrijke stap in de richting van de opname van flora en fauna in het juiste perspectief en zo een eerlijke weergave van de werkelijkheid. Het boek werd dan ook op grote schaal door kunstenaars in de 17e eeuw, waaronder Maria Sybilla Merian, als bron voor eigen werk gebruikt.
Het werk is als geheel te raadplegen op de website van de universiteit van Straatsburg
*Elk van de Archetypa 's gravures bevat een paar Latijns-motto's of aantekeningen. Deze combinatie van tekst en beeld verleent het werk een symbolische kwaliteit. De wijze waarop de afzonderlijke elementen op de prenten zijn georganiseerd is verbonden aan religieuze symboliek. De teksten zijn vaak vroom, godsdienstig, of waarschuwend van aard: velen zijn bijbelse of klassieke citaten, anderen zijn bedacht door (Joris) Hoefnagel zelf.
Maïssa Toulet cabinetten
Iedereen heeft wel een eigen bijgeloof of tics die geluk moeten afdwingen bij het al dan niet aanwezige hogere. Een bosje bloemen aan de voordeur gespijkerd, een kruisje onder de dorpel, niet onder de ladder doorlopen, afkloppen op het hout, geknoeid zout over de linkerschouder gooien en krakende schoenen die niet betaald zouden zijn. Het heeft allemaal te maken met bijgeloof. De dingen die zouden kunnen gebeuren lijken wel bezworen te moeten worden met een soort van volkse tovenarij. Die ongrijpbare krachten zijn wellicht niet helemaal aards genoeg voor in het rariteitenkabinet wat deze blog is, maar hetgeen Maïssa Toulet er mee gedaan heeft maakt het weer zeer de moeite waard.
Deze Franse kunstenares maakte namelijk wat zij noemde een "Cabinet de Sorcellery". In dit zeer sfeervol vormgegeven kabinet vinden de meest uiteenlopende en ondoorgrondelijke vormen van bijgeloof, volksgeneeskunde, hekserij, voodoo en waarzeggerij een plaats. Het is echt heel bijzonder om zonder verdere uitleg toch een proeverij van deze vage wereld te krijgen. Omdat er verder bijna niets aan te omschrijven valt stel ik voor dat je gewoon gaat kijken in het Cabinet de Sorcellery. Zoals de Fransen zouden zeggen: Très Magnifique!
kin-dza-dza
gebedsnoot

Een gebedsnoot was een stukje devotionalia dat in de 15e eeuw zijn hoogtepunt beleefde. De noot werd gebruikt om in afzondering te kunnen mediteren en bidden. Gelovigen wilden zich zoveel mogelijk met Jezus vereenzelvigen. Het mediteren over zijn lijden werd gezien als een goede manier om dat te bereiken. Daarom is er op voorwerpen die voor privé-devotie bestemd zijn vaak een afbeelding van de lijdende Christus te zien. Het was werkelijk mede-lijden. Ook in de 15e eeuw was een dergelijk kunstwerk enkel weggelegd voor de meest welgestelden. Het kostbare kleinood werd doorgaans bevestigd aan een bidsnoer, de voorloper van de rozenkrans. Wanneer de gebedsnoot mee op reis werd genomen, werd hij zorgvuldig opgeborgen in een beschermend omhulsel.

Het is dan ook zeker het beschermen waard. Het schitterende stukje houtsnijwerk is niet enkel bijzonder gedetailleerd het is ok nog eens erg klein van stuk. Het is maar een luttele 5cm in doorsnede. De miniatuur tafereeltjes zijn gesneden uit bukshout, ook wel palmhout genoemd. Dit harde hout dat fijn van structuur en nerf is, is afkomstig van de Buxus.
Wat zo bijzonder en tevens ook heel vreemd is, is dat deze objecten niet algemeen bekender zijn. Ze kunnen zich qua kunstigheid zeker meten met de bekendere middeleeuwse kunstwerken. Het lijkt bijna alsof ze door hun meditatieve functie verzonken zijn geraakt in het collectieve geheugen van de Nederlanders en Vlamingen.
koper erts
pollenbestuiving
Omdat ik niet het zoveelste stukje wilde schrijven over stuifmeelallergie beperk ik me maar eens tot het stuifmeel zelf en dan in het bijzonder de vorm en structuur van de stuifmeelkorrel, ook wel pollen genoemd als ze met meerdere zijn. Het is een bijzondere wereld. Pollenkorrel zijn niets anders dan het plantaardige eenmansvehikel van een mannelijk zaadcelletje dat door de lucht reist om in het beste geval uiteindelijk bij het juiste vrouwelijke vruchtbeginsel terecht te komen. E en mannelijke pollenkorrel van een appel kan nooit een peer bevruchten. Daar heeft de natuur wel voor gezorgd. Hier komen grootte, vorm, structuur, maar ook het aantal kiemspleten en kiemporen om de hoek kijken.

De grootste pollenkorrels zijn bijna 0,1mm groot, de kleinste zijn ongeveer 0,01mm. De vorm van de pollenkorrels is meestal rond tot ovaal of eivormig, maar er komen ook platte pollenkorrels voor en stuifmeelkorrels met luchtzakken (voor een betere verspreiding). Je hebt pollenkorrels die zich in droge staat inklappen om zo beter beschermd te zijn. Het maakt voor de vorm dus uit of je ze droog of vochtig bekijkt onder de microscoop.
Het oppervlak van een stuifmeelkorrel van een wind bestuivende plant is veelal glad of korrelachtig. Toch zijn er ook onder de windbestuivers meer exotische vormen met puntvormige tot streep- of ribbelachtige structuurtjes of netvormige verdikkingen. De structuur van de pollenwand van een plant die gebruik maakt van insecten bij de bestuiving zijn vele malen complexer van opbouw. Het zijn ware kunststukjes met ribbels, wallen, grote en kleine uitsteeksels en holtes die als een net uitgestrooid zijn over het oppervlak.
Dan de twee meest bizarre en niet uit te leggen onderdelen die van belang zijn bij de koppeling van het juiste mannelijke zaadbeginsel met het juiste vrouwelijke zaadbeginsel: De kiemspleten en de kiemporen. Beide hebben ook iets te maken met de structuur van de stuifmeelkorrels. Ik ga er voor het gemak maar van uit dat ze essentieel zijn voor een juiste koppeling om een vruchtbare versmelting mogelijk te maken. Ze kunnen verdiept liggen of juist net iets uitsteken. Ook is er de mogelijkheid dat ze afgedekt zijn met een dekseltje. Ook is belangrijk of ze een uitstekende rand, de zogenaamde annulus, hebben. Heel cryptisch dus wat het precies is… Maar wat maakt dat eigenlijk uit? Wat blijft is de verwondering over de veelvormige mysterieuze inventiviteit die planten zich getroosten om zich voort te kunnen planten.
De kennis die in dit stukje is samengevat was niet op papier gekomen zonder de bijdrage van de zeer goede beschrijving op de website van de Radboud Universiteit van Nijmegen. Bedankt daarvoor!
vissenhelm
Er was eens een krijgslustig vissersvolk......Zo zou het sprookje kunnen beginnen dat hoort bij het verhaal van het onstaan van de vishelm. De vishelm heeft namelijk niets te maken met het belang van de helm bij het vissen (zie hiervoor de uitleg door Bert Visscher) maar alles met krijgskunst op Christmas Island, de thuisbasis van de Kiribati (uitspraak: 'kiri-bass'). Even voor de goede orde; Christmas Island ligt ten zuiden van Hawaii in het deel van de wereld dat Micronesia heet en heeft drie grotere woonplaatsen: Parijs, London en Poland. Ondanks deze noordelijke plaatsnamen is het een sprookjesachtig bounty-eiland met bijna meer blauwe lagoons dan land. Kiribati is het enige land ter wereld dat zowel op het noordelijke, zuidelijke, oostelijke als westelijke halfrond ligt. Omdat het eiland meer zee dan land heeft was het hoofdvoedsel van de oorspronkelijke bewoners vis. De Engelsen die de eilanden in dit deel van Oceanië veroverden troffen trotse met vis bepanserde krijgers. Want wie wil er nou niet in een sprookjesachtig stukje paradijs wonen?
De helm van de Kiribati-krijger is gemaakt van een grote soort egelvis die vaak ook nog giftige stekels hebben. De vis blaast zich op bij gevaar en heeft een hard uitwendig skelet. Als je dit alles uitholt is het dus een uitstekend stevige helm. Het "zwaard" is gemaakt van koraal, wat het een geducht wapen maakt; koraal is nogal scherp. Het wambuis is gemaakt van kokosnootvezel wat het net zo stevig maakt als een ouderwetse deurmat. De Engelsen waren na hun verovering zo nieuwsgierig dat ze een deel van de mooiste voorwerpen mee namen naar Engeland. In het Pitt Rivers Museum is daarom nog steeds de meest uitgebreidde collectie met originele Kiribati voorwerpen te bewonderen. zo is ver weg toch stiekem heel dichtbij.
fopkan
Een fopkan is een onmogelijk stukje aardewerk in de beste traditie van het bier drinken. Het is namelijk zo dat de bierkan (ook wel puzzle-jug of Kulkan genoemd) zo is gemaakt dat hij niet op de normale manier uitgedronken kan worden. Bij deze fopkan kwam het dan ook niet aan op drinkcapaciteit en maaginhoud, maar op behendigheid. De drinkwedstrijd werd nu pas echt interessant omdat de dronken broeders hun kan zo snel mogelijk moesten ledigen zonder er bij te brassen. Er waren verschillende modellen met enerzijds opengewerkte halzen en anderzijds alternatieve openingen of een soort ingebouwd rietje. Heel lastig drinken dus. Vooral de minder ingewijden wisten niet hoe ze de ongewone drinkkan moesten leegdrinken. Dit uiteraard tot groot vermaak van de omstanders waarbij de feestvreugde bij iedere er langs lopende guts bier verhoogd werd. Het was echt slempen (drinken met erg veel geknoei) op een hoger niveau. De fopkan was vanwege z’n vakkundige makers en de kunst om er uit te kunnen drinken een ware kunstdrinkenskan.
Joseph Towne
Als was was was, was was was. Joseph Towne (1808-1879) was een beroemd wasmodeleerder. Als 17-jarige jongen maakte hij al zijn eerste wasmodel van het menselijke skelet. Hij liet het zien aan sir Astley Cooper (een grote naam in die tijd) en kreeg direct een aanstelling. Bijzonder genoeg was hij geheel autodidact, hij leerde de technieken allemaal zichzelf aan. In de jaren daarna leverde Towne het ene na het andere gedetaileerde wasmodel van hoge kwaliteit af. Hij leerde zelf anatomische studies uit te voeren en kreeg zo een nog beter inzicht in de menselijke anatomie. Zijn uitvoeringen van een serie dissecties van hersenen is dusdanig perfect dat zelfs doorgesneden aderen,spieren en vliezen te zien zijn. Hij kreeg erg veel lof voor zijn realistische modellen, met aderen als fijne webben en spieren die enkel nog in actie moeten komen om echt te leven. Hij hield het niet enkel bij "standaard"-annatomie en maakte briljante series met de meest angstaanjagende ziektebeelden. Wat bijzonder was, was dat alles wat hij afleverde (en dat waren nogal wat modellen) van hoge kwaliteit was. Hij werd er dus terecht beroemd door.
Maar hoe ging hij te werk? Er is eigenlijk niemand die het precies te weten is gekomen. Joseph Towne werkte in de kelder van het instituut en liet niemand zomaar toe op zijn werkplek. Er wordt verteld dat hij wax in het sleutelgat van zijn werkplaats stopte zodat niemand zijn kleurtechniek kon stelen. De zwijgzame Towne vertelde het in ieder geval aan niemand en nam het geheim van zijn techniek mee in zijn graf. Het procedé blijft dus een mysterie en het resultaat is nog steeds ongeevenaard.
Albrecht Durer; mooie prenten
Een vliegend hert als onderwerp voor een kunstwerk. Niet heel erg bijzonder zou je zeggen, maar dat was het in 1505 dus wel. De kever als afzonderlijk kunstwerk was zeer ongebruikelijk. Insecten werden rond 1500 als de laagste schepselen gezien. Van die monsterlijke gedrochten een kunstwerk van maken was zonde van je schildersmateriaal.
Albrecht Dürer (1471-1528) dacht daar toch heel anders over. Hij bestudeerde het gehoornde insect en kwam tot de conclusie dat het wezen net zoals zoveel in de natuur zeer kunstig in elkaar stak. Hij was dan wel een Duitser, maar deed zijn inspiratie op in Italië waar de Renaissance in volle bloei was. Hier studeerde hij schilderstechnieken, maar ook wiskunde, geometrie en klassieke literatuur. Hij leerde er onder andere de techniek clair-obscur, waarbij door met schaduw te spelen taferelen nog nadrukkelijker tot leven komen.
Zo ook bij het vliegend hert van zijn hand. Het staat bijna heroïsch op de poten met z’n harde zwart glimmende lichaam, bollende vleugels en monsterlijke kaken. Het is met veel zorg en respect in detail getekend. Ieder haakje aan de poten of segment van de voelsprieten klopt. De kleuren raken de juiste toon en de subtiele schaduwen en lichteffecten suggereren dat het beest ieder moment zijn weg kan vervolgen. Om ons vervolgens in verbazing over zoveel moois achter te laten.
de middelvinger van Galileo
botanische beesten

Bezoar
Je hebt in de wilde natuur heel wat vreemde ballen. Zo heb ik in mijn eigen rariteitenkabinet (zie frumingelo in uitvoering) een mooie braakbal van een koe. De bal bestaat uit onverteerde resten gras. Daarnaast bestaat er natuurlijk de alombekende haarbal, die bestaat uit ingeslikte delen haar. Een bal die daar dan weer op lijkt is een soort wier (Posidonia oceanica) , maar niets is zo bijzonder als een echte bezoar. Ik zeg met opzet "echte"omdat je zal lezen dat niets is wat het lijkt. Een bezoar, ook wel een maagsteen of darmsteen genoemd, ontstaat doordat er in maag of darm onverteerde resten samenklonteren. Het lichaam pakt het materiaal in met kalkverbindingen tot er een vaste, harde en vaak ronde bal ontstaat.
In de late middeleeuwen werden er magische, heilzame en geneeskrachtige eigenschappen aan bezoarstenen toegekend. De steen werd beschouwd als een geneesmiddel tegen alle mogelijke kwalen. Helemaal onzin was de werking van de bezoar niet. Arcenicum, een klassiek gif, reageert namelijk met de kalkverbindingen uit de bezoarsteen. Het was dan ook niet raar dat er al snel een levendige handel in ontstond. Iedere vorst en regent wilde natuurlijk voorkomen dat hij door een of andere onverlaat werd vergiftigd. Het kon niet gek of sjiek genoeg. De stenen werden als eerste klas statussymbolen in gouden hangers of doosjes gevat. Heel bijzondere stenen kwamen uit de magen van Chinese herkauwers, Javaanse stekelvarkens of Peruviaanse berggeiten. Daar werden ze bewust gekweekt en bestonden veelal helemaal niet meer uit het onverteerbaar materiaal, maar uit vanallerlei dure ingredienten zoals zeldzame kruiden, hoorn en edelstenen. Door de populariteit en exclusiviteit werden er exorbitante prijzen gevraagd.
Aan alles komt ooit een eind. Dat begon in dit geval met een simpel experiment. In 1575 was de lijfarts van de Franse koning Karel IX het zat. Zijn paranoïde heer kocht zich arm aan bezoars. De arts stelde voor om de kok (die zilver bestek van de koning had gestolen) voor de keus te stellen; ophanging of een giftig brouwsel drinken met daarin een heilzame bezoar. De kok koos voor het laatste en stierf op gruwelijke wijze. Ondanks dat het bewijs nu wel geleverd was kreeg de bezoar de schuld. Het zou een valse steen zijn. Dat bracht een jacht op "valse" stenen teweeg. Bezoars bleven echter interessante objecten. Het duurde nog tot na de hoogtijdagen van de rariteitenkabinetten dat de populariteit van de maag-darmstenen afnam.
boerenbont
![]()
Het meest gebruikte servies van aardewerk is een lange tijd toch wel het boerenbont geweest. In de vorige eeuw was enkel ongedecoreerd aardewerk goedkoper. De bonte pracht en praal van het boerenbont was er niet enkel in het nu bekende motief, nee er waren ontzettend veel verschillende soorten boerenbont serviezen. Alleen al in Maastricht zijn meer dan 200 verschillende patronen in omloop geweest en het totale aantal verschillende patronen ligt ergens rond de zeshonderd. Het eerste Boerenbont uit Maastricht werd gemaakt rond 1845. Het bekende boerenbont nr 15 werd door o.a. Guill Serpenti ontworpen en stamt van na 1920.
Het boerenbont is waarschijnlijk in de 18de eeuw uit Engeland over komen waaien. De bakermat van deze decors zou in de graafschappen van Staffordshire of Yorkshire kunnen liggen, maar ook Schotland. Het gaudy Welsh pottery, oftewel bont Schots aardewerk, lijkt in zekere zin wel op het Nederlandse boerenbont.
Het boerenbont is een decoratie waarbij de handgeschilderde en/of met een harde spons gestempelde patronen bestaan uit een herhaling of een aaneenschakeling van gestileerde bloemmotieven. De patronen waren opgebouwd uit een beperkt aantal motiefjes en kleuren. Meestal werd het schilderwerk door dames gedaan. Ze gebruikte voor het decoratiewerk verschillende soorten en maten penselen, afhankelijk van het te schilderen patroon. Eenvoudige en veel voorkomende motieven werden gestempeld. Hun werk is nog terug te vinden in menig servieskast.
kijk eens naar het vogeltje
Israël David Kiek uit Groningen (1811-1899) gebruikte in ieder geval geen vogeltje. Hij was een was een Nederlands fotopionier zonder pretenties en fotografeerde vaak studenten of andere vrolijke gezelschappen. Hij had veelal lak aan het bevriezen van zijn foto-objecten. Zijn naam werd synoniem met uit de losse pols geschoten foto’s: het kiekje.loden boeken
Het verhaal gaat dat Jordaanse bedoeïen de boeken samen met andere voorwerpen aantroffen in een grot ergens rond 2006. In 2010 doken ze weer op. De boeken bestaan uit metalen bladen (sommige niet groter dan pinpasformaat) en zijn met metalen ringen gebonden. Het vreemde is dat er ook "boeken" zijn die helemaal rondom dichtgemaakt zijn. De codexen bestaan uit vijf tot vijftien bladen. In de boeken en op de "kaft" staan verschillende zeer vroeg christelijke symbolen en tekens waarvan gezegd wordt dat ze geschreven zijn in archaïsch Hebreeuws. Daarmee zouden de boeken zomaar eens heel erg oud kunnen zijn. De schatting na eerste onderzoeken is dat de echte loden boeken minimaal 1800 jaar oud zijn. Ieder stuk zal echter onderzocht moeten worden op z’n authenticiteit. Waarom het oude materiaal uit de 1e eeuw na Christus vermengd is met vervalsingen is niet duidelijk, maar hoogstwaarschijnlijk heeft een handelaar er een extra slaatje uit willen slaan.Voor dit kleine stukje tekst heb ik veel websites doorgelezen over dit onderwerp. Uiteindelijk heb ik Margaret Barker, een van de onderzoekers, meerdere vragen gesteld over dit onderwerp. Ik wil haar bedanken voor haar oprechte beantwoording van mijn vragen over deze bijzondere boeken. Op basis van haar informatie geloof ik niet dat het hele verhaal verzonnen kan zijn. Waarschijnlijk komt de Jordaanse overheid nog voor eind 2011 met een formele bekendmaking van de leeftijd, herkomst en mogelijk ook inhoud van deze rariteiten pur sang.

















