Posts tonen met het label wonderlijke wezens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wonderlijke wezens. Alle posts tonen

Zomaar een zeepaardje





verdwenen musea



Een oom van mijn vaders kant had een passie voor het verzamelen van vlinders. Alle dagvlinders van Europa had hij in zijn verzameling. Voor de enkele ondersoort die nog in zijn collectie ontbrak ondernam hij samen met mijn tante zelfs speciale reizen. 
Ik vond het zeer bijzonder om, als we naar België gingen op bezoek bij mijn 'vlindergekke' oom, in zijn speciale kamer al die lades met bijzondere vlinders te mogen bekijken. Het was alsof hij zijn eigen museum in huis had. Ja helaas, had. Mijn oom is al jaren terug gestorven en zijn mooie verzameling schijnt geschonken te zijn aan het Naturalis. Ik had graag nog eens met 'm op pad gegaan.
Anne ten Donkelaar verwoorde voor mij heel goed mijn gevoel voor deze eerlijke v(l)inder.

walvisjacht





Ooit was het vangen van een walvis van levensbelang voor lokale gemeenschappen in de koudere regionen van onze planeet. Het vangen van een walvis was toentertijd ook een ongemeend gevaarlijke onderneming. Men liet het dan ook wel uit het hoofd om meer walvis te vangen dan men echt nodig had voor eigen consumptie en wat bijproducten waar ruilhandel mee gedreven kon worden.
Schepen en vangmethoden verbeterden echter na de industriële revolutie, waardoor het vangen van een walvis vele malen makkelijker was, veel meer avontuurlijk dan echt gevaarlijk. Dit maakte de weg vrij voor een grotere walvisvangst dan nodig voor lokale behoefte. Walvistraan, baleinen (voor korsetten) en bijvoorbeeld walvisbraaksel als basis voor parfum werden echte walvis-producten waar ook nog eens veel vraag naar was ook.  De walvissen werden hierdoor zo bejaagd dat ze uitgestorven zouden zijn, maar dat gebeurde niet. Al rond 1670 waren rond de Noordpool zo weinig walvissen dat de schepen moesten uitwijken naar andere gebieden. De walvisjacht rond de Noordpool werd commercieel gezien te duur en verlegde zich uiteindelijk naar de zuidpool.
De walvisjacht nam geleidelijk af, maar kende zowel na de eerste als na de tweede wereldoorlog een flinke opleving omdat er aan veel grondstoffen (vooral oliën en vetten) een tekort was. In 1946 was men er echter van doordrongen dat de hoeveelheid walvissen niet oneindig was en werden er quota tussen de landen afgesproken. In 1983 was men er van doordrongen dat ook quota de walvis niet voor uitsterven zouden behoeden. Enkel jacht vanuit wetenschap en traditionele jacht wordt vanaf dan nog toegestaan. De Noren en IJslanders trekken zich niets van de regels aan en jagen nog steeds, de Japanners jaagden jarenlang in naam van de wetenschap, maar ook dit is als het goed is tot een einde gekomen.
Gelukkig hebben we vandaag de dag geen walvis nodig voor een luxe paraplu of een dirigeerstok met een lekkere zwiep. Walvistraan wordt al lang niet meer als olie van de straatlantaarn gebruikt, laat staan als basis voor margarine. We moeten de walvis dus gewoon met rust laten. Kunnen we ook nog tot het einde van onze beschaving onze kinderen lekker het bed in blijven Jonassen.

Vliegende Vis






Vliegende vissen (Exocoetidae) zijn zeevissen die tot wel vijfhonderd meter kunnen vliegen. Er bestaan er wel zeventig verschillende en allemaal verruimen ze zo nu en dan het ruime sop voor de blauwe lucht.
Waar andere vissoorten kleine borstvinnen hebben om een beetje te sturen en rond te kanbbelen, zijn de borstvinnen (en soms ook de bekkenvinnen) van vliegende vissen ongewoon groot. Deze vinnen kunnen de vissen plat vouwen en uitspreiden al naargelang ze onder of boven water zijn.

Om te vliegen moeten de vliegende vissen op grote snelheid direct onder het wateroppervlak gaan zwemmen. Hierbij worden de vinnen dicht bij het lichaam gehouden. Als vliegende vissen uit het water springen, spreiden ze hun vinnen om zo lang mogelijk te kunnen zweven. Net boven de golven is de luchtweerstand het kleinst, dus de vis blijft relatief dicht bij het wateroppervlak. Eenmaal boven het water kan een vliegende vis ook een serie glijvluchten achter elkaar maken. De vis zet zich hierbij van het water door met zijn staart op het water te slaan, om zich zodoende met kracht af te zetten voor een nieuwe glijvlucht.

Het blijft voor onderzoekers een raadsel waarom vliegende vissen soms de lucht boven de zee verkiezen. Een van de theorieën is dat de vissen vluchten voor roofvissen. Een andere theorie is dat de dieren energie besparen door af en toe een stukje te 'vliegen' . Het houd de wetenschap bezig, maar het zal de vliegende vis worst wezen (of liever plankton, want dat eet hij graag).

Axolotl




De axolotl is uitgeroepen tot het bijna lelijkste dier op aarde. Nou daar ben ik het dus niet mee eens! Dit bijzondere amfibie is wellicht wat bleekjes uitgevallen, maar verder toch echt een wonderlijk mooi wezen. Eigenlijk is het bijzondere dier meer vis dan amfibie. Hij brengt zijn hele leven namelijk in het water door. De waaiervormige kieuwen en het feit dat een axolotl nu eenmaal pootjes heeft maakt het toch een amfibie. Het schijnt dat de axolotl ook goed te eten is. Ze worden gekookt of geroosterd en de staart wordt net zoals Fish & Chips traditioneel gegeten met peper en azijn.

vleermuisparkiet





Buiten een erg leuke naam heeft de vleermuisparkiet wel erg veel van een doodgewone parkiet. Het vogeltje heeft nou niet iets vleermuisachtigs waaraan je meteen kunt zien dat het een vleermuisparkiet is. Waarom heet het groendonzige beestje dan in godesnaam vleermuisparkiet? Nou deze parkiet heeft de bijzondere gewoonte om ondersteboven te slapen!


Net zoals een vleermuis dus.....

insect schrikeffect





Er zijn opvallend veel vlinders met een oogachtige structuur op de bovenzijde van hun vleugels. In rust, wanneer de vleugels dicht zijn, is de vlinder veelal goed gecamoufleerd, maar zodra ze de vleugels opslaat zijn de ogen duidelijk te zien. In Nederland komen meerdere vlindersoorten voor met ogen op de vleugels. De dagpauwoog is natuurlijk het bekendst, maar ook de argusvlinder, bontzandoogje, hooibeestje, koevinkje, heivlinder, weerschijnvlinder, luzernevlinder en de apollovlinder hebben op ogen gelijkende vlekken. De vlekken en vaak ook de kleuren dienen om aanvallers op het verkeerde been te zetten doordat ze iets anders suggereren dan de aanvaller verwacht. Het zien van ogen geeft bij allerlei dieren schrikreacties, zeker als de ogen ook nog eens groter zijn dan die van de aanvaller zelf.

Het is waarschijnlijk dat een verre voorouder bij toeval enkele vlekken op de vleugels had die het schrikeffect al in enige mate kon opwekken. Dit voordeel zorgde er voor dat er meer van deze vlinders bleven leven en de vlinders met een extra paar ogen zich konden uitbreiden. Verdere natuurlijke selectie zorgde er daarna voor dat deze vlekken steeds effectiever werden en meer op echte ogen gingen lijken. Bij de dagpauwoog is zelfs de licht reflectie in het oog aanwezig in de vorm van een klein vlekje wit in de zwarte pupil.

Albertus Seba





Albertus Seba was een succesvol apotheker die van 1700 tot 1736 niet enkel een apotheek had, maar vooral beroemd werd vanwege zijn Hobby. Zijn succes als apotheker gaf hem de kans om zijn echte passie na te streven: het verzamelen. Seba rende, wanneer de schepen aangekomen waren, naar de haven om te onderhandelen met zeilers en scheepschirurgen over de exotische planten en dierlijke producten die hij zou kunnen gebruiken voor het bereiden van medicijnen. Naast de geneeskrachtige elementen en kruiden had hij een grote verzamelwoede die van alles besloeg; zoogdieren, vogels, schelpen, insecten en slangen. Hoe exotischer hoe beter.
Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt. Na tien jaar van geneeskrachtige recepten schrijven en verzamelen werd hij opgemerkt door tsaar Peter de Grote en werd zijn hofleverancier (het gerucht gaat dat Seba soms betaald werd in verse gember). In eerste instantie leverde hij vooral geneeskrachtige poeders, maar al spoedig kwam Peter de Grote te weten dat Albertus Seba een hele mooie verzameling had. Nu was Peter de Grote ook zelf verzamelaar al verzamelde hij ook andermans verzamelingen. In dit geval werd er na een lange correspondentie overeenstemming bereikt over de aankoop (15.000 gulden) en werd de gehele verzameling van Albertus verscheept in 17 kisten naar de tsaar. Daarmee werd Seba op slag een schatrijk man. Hij begon vrolijk aan een tweede verzameling en liet meteen ook een aantal boekwerken met gravures gebaseerd op zijn verzameling maken.

Het complete naslagwerk heette heel ‘bescheiden’ Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio - Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur. Linnaeus bezocht het kabinet van Albertus Seba in 1735 het jaar voor Seba’s dood. Linnaeus zou in zijn werk maar liefst 284 keer citeren uit het werk van Seba. De eerste twee delen van Seba's collectie werden nog uitgegeven toen hij leefde, het derde en vierde deel pas ver na zijn dood toen zijn tweede verzameling uiteen gevallen was door een openbare veiling. Het waren stuk voor stuk bijzondere boeken waarin wetenschap, verbeelding en kunstzinnige interpretatie verweven waren. De platen werden gemaakt door een keur van kunstenaars en graveurs die alles met een groot oog voor detail en een uiterste precisie in een mooie rangschikking weergaven. Een van de boeken gaat over zeeleven en werd voorbereid door Peter Artedi. Hij maakte zijn werk echter niet af. Na een etentje bij Albertus Seba had hij zoveel gedronken dat hij in de gracht viel en verdronk. In totaal werden er door verschillende kunstenaars 446 platen gemaakt in zwart-wit. Omdat kleurige platen beter verkochten werden de afbeeldingen later met de hand nog ingekleurd. Dat alles maakt de Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur van Seba tot een meesterwerk van onschatbare waarde.

iedere spin z'n kruis






De Kruisspin (Araneus diadematus) is een vaak voorkomende spin in de tuin. Volgens een legende verkreeg de Kruisspin de witte kruisvormige tekening op haar rug toen Jezus bij zijn kruisiging werd lastig gevallen door vliegen. Een spin had medelijden met Jezus en spon haar web in zijn doornenkroon zodat de vliegen in haar spinnenweb gevangen werden. Als beloning mocht de spin voortaan een kruis op haar rug dragen. Omwille van deze opvallende tekening werd de Kruisspin tijdens de Middeleeuwen nog gedurende lange tijd vereerd in Europa. Het vereren van toen is tegenwoordig veranderd in onderzoek. Zo zijn wetenschappers er nu achter gekomen hoe de kruisspin aan haar kruis komt.

Bij kruisspinnen is de grondkleur van hun achterlichaam niet bruin, maar min of meer doorzichtig. Tijdens de vertering en bij de afbraak van eiwitten komen gevaarlijke en giftige afvalstoffen vrij. Spinnen breken de afvalstoffen af tot het stofje guanine. Guanine lost niet op in water en vormt daarom kristallen. Een deel hiervan wordt uitgescheiden. Het deel wat achterblijft wordt opgeslagen in speciale cellen in het doorzichtige achtereind van de spin. Als de huid weinig pigment bevat, zijn de topjes van de kristallen zichtbaar in de vorm van witte vlekken, wat bij een Kruisspin vaak resulteert in een kruisvormige witte tekening. In het najaar scheiden nogal wat exemplaren meer guanine af en verliezen daardoor hun witte kruistekening. De Kruisspin kan dan erg verschillen in kleur en tekening. Ze kan bleekgeel, oranjerood tot bruin gekleurd zijn. Hierdoor zijn ze beter gecamoufleerd in een omgeving waarin de bladeren en andere plantendelen vaak bruin verkleuren.


Dit was alweer de 250e blog van Frumingelo!

LUCY GLENDINNING





Will we be able to resist it?
 Of coursed not, I say.
   The endless opportunity
     to better our future,
        to improve the human race,
     and solve the endless
  problems of more.

Will we be able to resist it?
   Once we have cured the sick,
     to improve the well,
       what fun we’ll have
    making useful modifications
improvements and special vocations.


Will we be able to resist it?

       A decoration applied with
a gene, not a needle.
       To breath under water
Wouldn't that be useful,
       or to fly who could resist that.
To be special we all want it,
       once we are no longer a child.

Will we be able to resist it?
     Is evolution ours now?
     Will it be like most,
money will buy the prize?
     You will need to be
     something like a Rothschild
to be able to fly.
     Or to glow in the dark
     a Geldof or a Spark.
     Is it about to change,
are we to be in charge?

Neptepels bij Rhinolophus








De wijfjes van Hoefijzerneuzen (dat zijn vleermuizen) hebben twee echte en twee "valse" tepels (met een smerig woord ook wel aarstepels genoemd). De valse tepels ontwikkelen zich bij de eerste zwangerschap en bevinden zich vlakbij de genitale opening (vandaar de bijnaam). De neptepels worden door de jongen gebruikt om zich aan vast te houden als de moeder op de kop hangt. De jonge dieren hangen zo met de kop naar boven en met hun neus.. tja; soms hangt het mee en soms hangt het tegen.




kiwi





De Snipstruis of zoals we deze loopvogel beter kennen de kiwi komt enkel voor in Nieuw-Zeeland. Net zoals de ortolaan schijnt de kiwi ook erg goed te smaken, maar aangezien ze sinds de 19e eeuw met uitsterven bedreigd zijn (er zijn er nog maar minder dan 60.000) worden ze niet meer gegeten.
Kiwi’s zijn volgens de Maori’s gecreëerd uit kalebassen door de god Tane en zijn ongeveer even groot als een kip. Daarmee zijn ze de kleinste loopvogels ter wereld. Kiwi, dat is niet enkel de naam van deze bijzondere vogel, maar ook z’n paarkreet. Daarmee hoort deze vogel in het rijtje van de koekoek, tjiftjaf, wielewaal en de oehoe.De kiwi is een schuwe nachtvogel met stevige, drie-tenige poten, scherpe nagels en een zeer goed reukvermogen en dat laatste is hoogst ongebruikelijk voor een vogel. De neusgaten van de kiwi zitten aan het uiteinde van zijn lange, scherpe snavel. Het verenpak van de kiwi lijkt op haar, maar het zijn toch echt veren. De kiwi is daarnaast vrijwel blind. Hij voedt zich door zijn snavel in de grond te steken om wormen, insecten en andere beestjes te vinden. Toch is de kiwi niet vies van andere dingen zoals fruit, kreeft of kikkers.



drijvende mieren





Dat mieren samenwerken is niet nieuw, maar wat als een overstroming het nest overvalt? Een beetje hypothetisch, maar dat is wel wat enkele wetenschappers van de universiteit van het Georgia Institute of Technology een tijdlang heeft bezig gehouden. Het leverde ook iets op, namelijk het bewijs dat de mier zelfs in de meest benarde situatie nog samenwerkt om tot een oplossing te komen.
De wetenschappers knikkerde groepjes levende mieren in het water en observeerden vervolgens wat er gebeurde. In enkele minuten vormde de mieren een soort van vlotachtige constructie door zich aan elkaar vast te klemmen en gebruik te maken van hun waterafstotende huid. Op deze manier bleken ze in staat om te blijven drijven! Nu zal je denken dat in een vlot met meerdere laagjes mieren de onderste mieren we zullen verzuipen, maar niets bleek minder waar. De hele constructie van het vlot was zo dat er een luchtbel onder het vlot ontstaat. Met deze luchtbel kunnen ook de mieren die aan de onderkant van het vlot liggen nog ademen. Geniaal!
Toch waren de onderzoekers nog niet helemaal tevreden. Ze wilde ook nog weten wat er zou gebeuren als ze de mieren wat op de proef zouden stellen. Dus verwijderden ze een paar mieren uit de zorgvuldig opgebouwde vlotconstructie. Maar geen paniek bij de mieren; enkele miertjes renden van de rand snel naar boven, om zo het vlot overal even dik te houden. Een vlot met een gat blijft immers niet drijven. Toen een van de onderzoekers met een stokje het mierenvlot onder water probeerde te drukken, boog het soepel door, en kwam het weer omhoog zodra het stokje werd teruggetrokken. kortom bekijk het filmje en verbaas je over zoveel dierlijk vernuft.





 

 

 

de wereld van Plinus de oudere



 



De Romein Plinius de Oudere is vooral bekend vanwege zijn meesterwerk, de Naturalis Historia. Halverwege de 1e eeuw na Chr. schreef Plinius 37 lijvige boekwerken vol met alle hem bekende feiten en feitjes. Het werd alsware een van de eerste encyclopediën en was een geslaagde poging om een compleet beeld van de (toen bekende) wereld te geven. Net zoals in het visboek van Adriaen Coenenz waren de boekwerken niet wars van (opbouwende) kritiek op hetgeen aangetroffen werd.  Zo schreef Plinius in boek XVI over het volk in het boomloze land aan de Noordzee:
 
Wat is de natuur en karakteristieken van het leven van mensen die leven zonder bomen of struiken. We hebben besproken dat in het oosten, aan de kusten van de oceaan, een aantal rassen in zulke behoeftige condities verkeren; Maar ook in het noorden hebben wij zulke volkeren gezien, te weten de de Chauken, die men onderverdeelt in de Grote en Kleine Chauken.
Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa's over een onmetelijke  vlakte, daarbij de eeuwenoude strijd door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken grond of terpen, die ze met de hand hebben opgeworpen tot boven het niveau van het hoogst bekende getij. Levend in hutten gebouwd op de gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken. Rond hun hutten vangen ze vis die probeert te ontsnappen met het aflopende getij. Ze kunnen geen vee houden en zich zoals naburige volkeren met melk voeden en ze kunnen zelfs niet met wilde dieren vechten, omdat al het bosland ver weg ligt. Ze vlechten touwen van zegge en moerasbiezen uit de moerassen om daarmee netten te kunnen uitzetten om vis te vangen. Zij graven slijk op met hun handen en drogen het meer in de wind dan in de zon, en met aarde (turf) als brandstof verwarmen zij hun voedsel en hun eigen lichamen, verkleumd in de noordenwind. Hun enige drank komt van regenwater, dat ze in kuilen in het voorhof van hun huizen bewaren.
En dit zijn de rassen die, als ze nu overwonnen worden door de Romeinse natie, zeggen dat ze vervallen tot slavernij! Het is maar al te waar: Het lot spaart de mens bij wijze van straf.
 
Die laatste uitspraak was niet van toepassing op Plinius zelf. Hij stierf bij de uitbarsting van de Vesuvius op 24 augustus 79 na Chr. waar hij door verstikking om het leven kwam bij een poging om bewoners van Pompeji te redden.

hoezo mischien?




Toon Tellegen is een geniaal schrijver! Hieronder een stukje van het bewijs:


Aan het feestmaal zaten ze bijeen. Ze wisten niet wat ze vierden, maar wel wat zij aten. De eekhoorn leunde op zijn ellebogen en slurpte dik beukennotensap naar binnen door een riet, langs de oever van de rivier gesneden, en naast hem zat de mier, die tussen zijn handen een reusachtige suikerklont hield waarop hij zoog en waarin hij soms ook beet. Dan zij hij: 'Hm', alsof hij gromde.
Iets verderop zat het hert, dat een groothoefblad op zijn bord had dat hij met mes en vork in fijne stukjes sneed die hij een voor een in zijn mond stak. Hij zat er zeer tevreden bij. Tegenover hem zat de bij die een kelk van een dovenetel vasthield en niets meer hoorde of zag en alleen maar dronk van de zoetste honing.
Bij, bij, bij! Riep soms het everzwijn naast hem, maar de bij hoorde hem niet. Het everzwijn at een bord met pap, en toen dat op was een emmer met in zure melk gedoopte hompen brood. Naast hem zat de bladluis, die zijn eigen eten had meegebracht, en daarnaast de kraai, die in een glimmende zwarte veter pikte, en daarnaast dreef de baars lui achterover in ee waterbed, waar zoete wieren in zweefden waar hij zo nu en dan aan sabbelde.........
uit: Mischien wisten zij alles van Toon Tellegen

Wat mij betreft verplichte leeskost voor iedereen (dus niet aleen kinderen) die verwondering hoog in het vaandel heeft staan.

Beerdiertje

 
 
 
 
Oorspronkelijk was het idee om iets over de velvetworm te schrijven, een bizar uitziende worm met beweegbare uitstulpingen die dit dier als pootjes gebruikt. Bij mijn zoektocht kwam ik echter een microscopisch familielid tegen die me nog meer kon boeien; het beerdiertje.

Het beerdiertje is een erg klein beestje (0,5- 1,5 mm) dat in 1773 door een Duitse pastor werd ontdekt. Goeze (zo heette de man) beschreef het diertje als bol met een koddig lijfje en vier paar pootjes. Inmiddels weten we dat beerdiertjes al meer dan 92 miljoen op de aarde leven en hun voorvaderen zelfs al 550 miljoen jaar. Na de ontdekking van Goeze zijn er nog vele beerdiertjes ontdekt. In totaal zijn tegenwoordig meer dan 1000 verschillende soorten bekend.
Naast het koddige uiterlijk en de trage manier van leven is het vleesetende diertje een wereldwonder eerste klas. Een beerdiertje kan namelijk nogal extreme omstandigheden overleven. Door een soort van ultieme winterstand kan het wonderlijke wezen z’n leven verlengen van enkele maanden tot aan meerdere jaren. Het beerdiertje rolt zich op en laat zich tot een propje ineen schrompelen. Wat er dan in de tussentijd gebeurt schijnt niet erg uit te maken. Even een greep uit de onmogelijke omstandigheden: -270°C (in vloeibaar Helium), +100°C, vacuüm, 600 MPa (zeg maar gerust extreme druk) en radioactieve straling. Het prepareren van dit diertje met formalyde ,vaseline of 100% alcohol heeft overigens ook geen nut. Het beerdiertje blijft vrolijk leven. Op het moment dat de omstandigheden weer enigszins oké zijn komt het beerdiertje uit zijn verschrompelde toestand en leeft weer helemaal op. Wat dat betreft is deze bijzondere diersoort beresterk.






harige vis






Het lezen van dit verhaal kan u op het verkeerde been zetten, al kan dat van de vis in kwestie niet gezegd worden.
De bont dragende forel is een soort van vis die een dikke laag van bont bezit om zichzelf in de koude wateren waar het leeft warm te houden. Deze bontvissen worden hoofdzakelijk gevonden in de noordelijke gebieden van Noord-Amerika, maar in het bijzonder in Canada, Colorado, Wyoming, en Montana. De soort wordt ook Beverforel genoemd.

Volgens legende, werd de bont-dragende forel voor het eerst gesignaleerd door toen Schotse kolonisten tijdens de zeventiende eeuw emigreerden naar Canada. Één van hen schreef naar huis over de overvloed aan harige dieren en vissen in het wilde land. Hij stuurde zelfs een exemplaar mee, al is dat later verloren gegaan. Bont-dragende forellen, opgezet als muurtrofeeën, kunnen nog steeds worden gevonden in het merengebied van Noord-Amerika en Canada.
Er zijn een aantal theorieën die de vachtgroei bij beverforellen verklaren, al vindt ik de haargroei-middeltheorie zelfs voor een hoax-verhaal te extravagant. De meest aannemelijke theorie richt zich op het zeer koude water waar de forel zich in ophoud. Door jaren van evolutie zou het dier zich aangepast hebben door een vacht te ontwikkelen tegen de extreme koude van de noordelijke wateren. Er zijn onderzoekers die stellen dat in de lente de bont dragende forel zich ontdoet van zijn dikke bontlaag en door het leven gaat als een normale beekforel. Dat gedrag kan verklaren waarom een met bont bedekte forel niet algemeen gevangen wordt tijdens het visseizoen.
Als dit sterke visverhaal werkelijk waar is eet ik de eerste beverforel die ik te pakken krijg met liefde en plezier met huid en haar op.

Maïssa Toulet cabinetten



Iedereen heeft wel een eigen bijgeloof of tics die geluk moeten afdwingen bij het al dan niet aanwezige hogere. Een bosje bloemen aan de voordeur gespijkerd, een kruisje onder de dorpel, niet onder de ladder doorlopen, afkloppen op het hout, geknoeid zout over de linkerschouder gooien en krakende schoenen die niet betaald zouden zijn. Het heeft allemaal te maken met bijgeloof. De dingen die zouden kunnen gebeuren lijken wel bezworen te moeten worden met een soort van volkse tovenarij. Die ongrijpbare krachten zijn wellicht niet helemaal aards genoeg voor in het rariteitenkabinet wat deze blog is, maar hetgeen Maïssa Toulet er mee gedaan heeft maakt het weer zeer de moeite waard.
Deze Franse kunstenares maakte namelijk wat zij noemde een "Cabinet de Sorcellery". In dit zeer sfeervol vormgegeven kabinet vinden de meest uiteenlopende en ondoorgrondelijke vormen van bijgeloof, volksgeneeskunde, hekserij, voodoo en waarzeggerij een plaats. Het is echt heel bijzonder om zonder verdere uitleg toch een proeverij van deze vage wereld te krijgen. Omdat er verder bijna niets aan te omschrijven valt stel ik voor dat je gewoon gaat kijken in het Cabinet de Sorcellery. Zoals de Fransen zouden zeggen: Très Magnifique!


botanische beesten

In 1520 werd in Ausburg een excentriek kruidenboek geschreven. Het bevattte medicinale planten met bijzondere prenten. De maker zorgde ervoor dat de soort plant in één oogopslag duidelijk was. Voor ons is het moeilijk om iets te maken van een dergelijke gestileerde plant met duidelijke fantasiewortels, maar de middeleeuwers konden met hun kennis over alchemie, folklore en volksgeneeskunst goed thuisbrengen waar het over ging.  Grappig is dat het betreffende boek in de Renaissance opnieuw "geordend" werd. De indeling naar soorten en verwanten legt echter bloot dat de mensen toen nog niet heel veel meer kennis in huis hadden dan hun middeleeuwse voorouders.


Blader door de digitale versie van het boek in z'n orginele staat

Zeeëgels


Als je als Zeeboontje geboren wordt word je nooit een zeeappel.  Maar iedere zeeegel heeft zo zijn eigen schoonheid.  Ik vind vooral het uitwendige skelet van deze stekelige ongewervelde waterdieren bijzonder mooi van vorm.  Het  mooie vijfvingerige sterretje opgebouwd uit piepkleine gaatjes en het gaatje aan de achterzijde maken het witte en zeer breekbare overblijfsel van de zee-egel tot ware kunstwerkjes van de natuur.  Op dat witte skeletje zaten uiteraard stekeltjes, maar wat ik nog niet wist is dat er tussen de stekels ook een soort tentakeltjes , ook wel  pedicellariae genoemd, zitten. Deze pedicellariae zijn zeg maar multifunctioneel inzetbaar. De geleerden zijn er nog niet helemaal uit wat de functie nu precies is, maar de Kleine pincetachtige tangetjes op de huid van zee-egels kunnen kleine (parasitaire) dieren grijpen, doden en verwijderen. Daarnaast doen deze klauwachtige tentakels ook dienst als een soort stofzuigers die de stekels schoonhouden. Dat is wel zo fijn voor een wezen dat een groot deel van z’n bestaan in het zand doorbrengt.

De stekeltjes van een zee-egel zijn  trouwens  niet altijd klein. Er zijn zeegels met dikke grote stekels, soorten met fel gekleurde of gif uitstotende stekels en zeeegels die door hun dunne lange stekels er uitzien alsof je ze zou kunnen aaien. Dat is uiteraard mogelijk, maar het is niet aan te raden.

Related Posts with Thumbnails